KONINGINNEN EN DE DWALINGEN HAARS WEEGS.


Heeft U wel eens een koningin zoo rustig weg een wandelingetje over de vliegplank zien doen en dan weer tot haar onderdanen terugkeeren? Ik ook.
Bij zonnig weder vliegen de bijenmoeders ook wel eens op haar eentje een poosje uit. Dit heb ik zelf nooit gezien, doch het staat in een boek.
Ook in de bijenwereld dus tegenwoordig geëmancipeerde dames, die de regelen van fatsoen met voeten treden, zich niets gelegen laten liggen aan het voorschrift, dat zij na de bruidsvlucht slechts bij het zwermen hare woning mogen verlaten.

Van deze dwaling des weegs eener bijenkoningin in verband met zwermen gesproken: is wellicht het z.g. stil ommoederen terug te brengen tot zwermen van de koningin alléén?
Op gezag van autoriteiten heb ik steeds geloofd, dat een stil ommoederend volk de oude koningin afstak. Mijn eigen ervaring is daarmede echter niet geheel in overeenstemming: Ik heb nogal vaak kolonies gehad, die zonder te zwermen een nieuwe koningin kweekten. Dat daarbij de oude moeder nooit dood in de kast gevonden werd, zegt niet veel, omdat men in den vliegtijd nooit veel doode bijen op de bodemplanken vindt. Iets anders echter is, dat een volk vroeg in het voorjaar enkele moerdoppen aanzette en dat op een goeden middag de oude moeder het vlieggat uitwandelde, zonder dat een harer bijen zich er om bekommerde, zich mistroostig van de vliegplank op den grond liet vallen en den volgenden morgen vlak bij de kast verstijfd lag. (Dat is zoo de gewone gang van zaken Red.)

Had het bijentribunaal in dit geval niet om hare vele tekortkomingen den doodstraf over haar uitgesproken, doch haar slechts verbannen ? Het scheen zoo.

Stemmen andere ervaringen hiermede overeen? Het zou interessant zijn, dit eens te vernemen.
In het algemeen zijn trouwens de omstandigheden van het stil-ommoederen een nadere studie waard. Noord-Amerikaansche imkers zijn tegenwoordig bezig methoden te zoeken, om deze wijze van „requeening" zooals zij het noemen, kunstmatig te bevorderen. Dit lijkt het meest practische en vooral het meest voordeelige middel tot zwermverhindering, ten minste, zoodra een werkwijze gevonden is, die met doorgaanden goeden uitslag kan worden toegepast (wat tot dusver nog niet heelemaal gelukt is).
Voor ons is dit ondertusschen nog verre toekomstmuziek. Al slaagt men in Amerika een gemakkelijke en betrouwbare manier te vinden om de bijen op een gewild tijdstip tot stil ommoeren te brengen, dan moeten wij toch nog weer gaan bestudeeren, hoe het kunstje hier zou zijn toe te passen, want verschil in drachtcondities en ook in bijenras (ginds meest Italiaansche) zouden zeker wijzigingen in de methode noodzakelijk maken.

Om nu evenwel weder terug te komen op de uitstapjes van moeren buiten het vlieggat: die koninklijke onhebbelijkheden noopten mij, mijn dubbele kasten buiten gebruik te stellen. Het gebeurde mij n.l. telkens weder dat één der volken van een dubbele kast moerloos werd. Tot tweemaal toe bleek daarbij, dat een koningin uit een rechtsche afdeeling de linksche afdeeling had geüsurpeerd. Misschien is dat alle keeren het geval geweest, maar dat was dan niet te constateeren, doordat de koninginnen in de andere gevallen geen kenmerken hadden, die haar van elkander onderscheidden.
Intusschen, tweemaal zulk een veroveringstocht van hare majesteit geconstateerd te hebben, vond ik het geraden, mijn volken voortaan in enkel voudige kasten te houden.
De dubbele zijn hiermede nog geenszins veroordeeld. Misschien waren de tusschenwanden in mijne kasten van eigen constructie te dun, zoodat de koninginnen lucht van elkander konden krijgen. (Dubbele Gerstungkasten hebben inderdaad een tweeduims-tusschenwand, de mijne hadden éénduims-schotten.) Dan zou dus de „veroveraarster" niet bij toeval, doch met voorbedachten rade naar de andere afdeeling zijn overgeloopen, met de venijnige bedoeling, haar collega van kant te maken. Misschien had ik ongelukken kunnen voorkomen, door elke afdeeling een afzonderlijk vliegplankje te geven, in stede van ééne doorloopende vliegplank voor beide vakken.

Naar deze mogelijkheden heb ik geen proefondervindelijk onderzoek ingesteld. Vermoedelijk weten anderen er meer van ?

BERCKENKAMP, Juli 1931.