BIJENWEIDE OVER DE GRENS.
Zooals men in het verslag der Algemeene Vergadering te Utrecht heeft kunnen lezen, is het voorstel der Afdeeling Arnhem inzake het grensverkeer met bijen met algemeene stemmen aangenomen.
Toen de afdeeling dit voorstel indiende, wist zij niet welke motieven door onze Oostelijke buren werden aangevoerd om de grenzen voor onze bijen te sluiten, doch op de vergadering gaf Dr. Minderhoud, die evenals het Hoofdbestuur met lofwaardigen ijver de zaak reeds had ter hand genomen, een uiteenzetting van de motieven, welke de Duitsche Regeering aanleiding gaven onze bijen den toegang tot de heide over de grenzen te beletten.
Feitelijk was dan het verbod reeds eenige jaren van kracht, doch door onjuiste opvatting der douanebeambten niet behoorlijk uitgevoerd. En het motief was, dat men in Duitschland ter bestrijding der bijenziekten reeds in 1926 de grenzen voor allen invoer van bijen had gesloten (al of niet op ratenbouw, Red.) Op de vergadering was er niet voldoende tijd meer, om hierover langer te praten en daarom leek het mij wel gewenscht in het orgaan nog een en ander in het midden te brengen.
Zoolang mij heugt, was de toestand zoo, dat Nederlandsche iemkers, wanneer de gelegenheid zich daartoe voordeed, hun bijen tijdelijk naar Duitschland brachten voor het bevliegen van een goede bijenweide, doch ook omgekeerd, dat elders Duitsche iemkers kwamen profiteeren van een goede dracht in ons land. In het bijzonder de heide kwam hiervoor in aanmerking. Nu kwam het daarbij wel voor, dat na afloop der dracht de iemkers den gewonnen honing enz. verkochten in het land, waar hij gewonnen was. Zoowel de Nederlandsche als de Duitsche iemkers verkochten hun honing, waar de beste prijs te maken was, dan eens in ons land, dan weer in Duitschland. (Is dit inderdaad zoo? Wij meenden, dat althans de Duitsche woningen verzegeld waren. Red.)
Wil men nu hierin een middel zien, om zonder betaling van invoerrechten honing in een van beide landen in te voeren, dan valt dit niet te ontkennen, doch dit euvel, als men het zoo noemen mag, is niet te verhelpen, tenzij alle grensverkeer met bijen, zoowel van onze als van Duitsche iemkers, naar beide richtingen absoluut verboden wordt. Immers kunnen de Nederlandsche iemkers het niet meer doen, dan hebben de Duitschers, die hier met hun volken komen, daartoe nog de gelegenheid. Ook zij kunnen, behalve den Nederlandschen honing, die hun bijen winnen, nog anderen Hollandschen honing mede terugnemen, zonder dat de Duitsche douane daarvan invoerrechten heft.
Evenwel, naar Dr. Minderhoud mededeelde, was het al of niet voldoen aan de eisenen van de invoerrechten, niet de reden der grenssluiting en ik zou er hierboven dan ook niet verder op ingegaan zijn, ware het niet, dat de wet op de bestrijding der bijenziekten, die immers al eenige jaren in werking is getreden, juist nu de invoerrechten op honing in Duitschland het vorig jaar ongeveer zijn verdubbeld, plotseling (Deze toestand is al jaren zoo. Reeds eenige jaren terug werden zgn. vette korven „levend gewicht" geweerd. Red.) in al haar scherpte wordt toegepast op de Nederlandsche iemkers en niet op hun Duitsche collega's, die ongestoord hun gang kunnen gaan. Dat geeft wel eenigszins te denken, vooral omdat het zoo vaak voorkomt, dat ziektebestrijding wordt voorgewend om den invoer van een of ander land- of tuinbouw- of veeteeltproduct te verbieden of zoo goed als onmogelijk te maken.
Nu heeft Dr. Minderhoud gelukkig aan de Alg. Vergadering kunnen mededeelen, dat men in Berlijn bereid is, onder bepaalde voorwaarden, het grensverkeer met bijen voor Nederlandsche iemkers weer mogelijk te maken, er is dus nog een kansje, dat wij weer in de gelegenheid zullen zijn onze bijen over de grenzen te plaatsen. Ik hoop, dat het onze iemkers in dezen zoo gemakkelijk mogelijk wordt gemaakt om aan de formaliteiten te voldoen, anders vrees ik, dat er practisch niet veel van terecht komt. En niet zonder reden. Want wederom is het opmerkelijk, dat de vrees voor bijenziekten bij onze Oostelijke buren alleen bestaat als Nederlandsche iemkers met bijen de grens overtrekken en niet, wanneer de Duitschers dat doen.
Worden de Duitsche bijen hier niet evengoed besmet als in Duitschland? Inderdaad de gedachte dringt zich hier op, dat er bij de toepassing der Duitsche wetten met twee maten wordt gemeten.
Wel kan ik mij voorstellen, dat men in Duitschland erg het land heeft aan bijenziekten, die in Duitschland inderdaad veel schade aan de bijenteelt toebrengen. Van deze ziekten moeten er enkele, althans één soort, ingevoerd zijn. Of dit vermoeden juist is, kan ik niet beoordeelen, doch afgaande op mededeelingen in Duitsche vakliteratuur, zijn de Duitsche bijen verre van gezond. Volgens het „Erlanger Jahrbuch 1930", pag. 119, deelt Borchert mede, dat in het jaar 1929 in geheel Duitschland aan de Biologische Rijksinstituten aangegeven werden:
1217 gevallen van broedpest;
40 gevallen van vuilbroed;
47 gevallen van zakbroed;
36 gevallen van kalkbroed;
10 gevallen van steenbroed;
1505 gevallen van nosemaziekte;
37 gevallen van mijtziekte.
Deze cijfers geven volgens den schrijver een zeer gebrekkig beeld, dat van den waren stand der ziekten in 't geheel geen voorstelling geeft.
Stel daar nu tegenover, dat de Nederlandsche bijen in binnen- en buitenland bekend staan als kerngezond te zijn, dan valt het moeielijk te begrijpen, waarom het Duitschland is, dat zich wapent tegen bijenziekten en niet Nederland. Hoeveel Duitsche artikelen worden hier niet ingevoerd, die wij feitelijk best kunnen missen en die een bron van besmetting kunnen zijn?
Laten wij echter hopen, dat de Duitsche regeering, haar ingrijpen zal wijzigen en de billijkheid zal betrachten, in het belang van de door haar zoo hoog gewaardeerde bijenteelt in haar eigen land en ook in het onze.
H. VONK, Arnhem, 27 Juli 1931.