EEN BIJENSTATION IN NEDERLANDSCH-INDIË,


Op de laatste vergadering van de Afdeeling 's-Gravenhage en Omstreken kreeg ik als haar Secretaris de opdracht eens naar Indië te schrijven over de bijencultuur aldaar. Dit naar aanleiding van een kort berichtje in een der plaatselijke bladen, dat er in onze Oost inderdaad in weerwil van de groote warmte aan de bijenteelt gedaan wordt.

Een dezer dagen kreeg ik een heel vriendelijk schrijven van den Adjunct Tuinbouwconsulent te Koetowinangoen (Keboemen) op het eiland Java als antwoord. Daar het mij wil voorkomen, dat onze leden in den lande levendig belangstellen in de bijenteelt ook buiten onze grenzen, heb ik het genoegen U de volgende bijzonderheden uit genoemd schrijven hierbij mede te deelen:


.- In het begin van 1930 is er van wege het Gouvernement in het regentschap Keboemen een proeftuin voor bijenteelt opgericht. Hierbij zat en zit de bedoeling voor het probleem van de teelt van de Indische Bij (Apis Indica) op te lossen en de inheemsche bevolking — nadat de oplossing een bevredigend resultaat opgeleverd heeft — van voorlichting te dienen.
Reeds twee jaar daarvoor, in 1928, zijn in de Gouvernementsproeftuin voor vruchtenteelt te Pasarminggoe (Batavia) de eerste proeven met de bijencultuur begonnen en het resultaat was van dien aard, dat het volgend jaar, dus in 1929, besloten werd de proeven door te zetten op Midden-Java in het Regentschap Keboemen en wel daar, omdat de bijen daar het geheele jaar door voedsel kunnen halen van den klapper, een boom, die het geheele jaar door bloeit en ook omdat de bevolking er veel aan bijenteelt doet.
Keboemen is inderdaad een van de rijkste bijenstreken in onze Oost. Op deze wijze kwam dan de proeftuin voor bijenteelt in 1930 in het District Koetowinangoen in het Regentschap Keboemen tot stand. Het plan was de bijenteelt zooveel mogelijk op Europeesche wijze te beoefenen in afwijking dus van de inlandsche wijze, die men eer een soort roofbouw zou kunnen noemen.
De inlanders toch houden de bijen in uitgeholde boomstammen, voor welk doel klapper- (cocus nucifera), aren- (Arenga pineata) en kapok- (Ceiba pentandra) stammen gebruikt worden. Deze uitgeholde boomstammen worden gespleten en de bijen bouwen haar woning in de bovenste helft.



Inlandsche manier van bijenhouden. Een overlangsgespleten boomstam, die verder uitgehold wordt en met draadijzer weer bij elkaar gehouden wordt, opgehangen aan een boom en door een blikje beschut tegen regeninslag. Het spreekt vanzelf, dat slechts een klein gedeelte van den stam gebruikt wordt; b.v. een lengte van 50 c.M. De uiteinden worden dichtgestopt en het geheel aan een ijzerdraad tegen de bamboemuur opgehangen op manshoogte. Aan rasverbetering wordt evenmin eenige aandacht besteed als aan onderhoud. Blijkt de woning honig te bevatten na eenigen tijd, dan wordt deze er uitgehaald en de bijen moeten maar weer zien, hoe ze verder scharrelen. Om na verloop van een paar maanden op dezelfde wijze behandeld te worden. Behalve den honig wordt het volk alles ontnomen, wat den imker ook maar eenigszins van nut kan zijn, zooals larven en ook het was. Deze wordt gebruikt bij het batikken; d.w.z. wat niet gekleurd moet worden, wordt met een laagje was bedekt. De larven worden met zout en andere ingrediënten vermengd in een stukje banaan (pisang) blad gewikkeld en onder heete asch gelegd. Wanneer ze gaar zijn, worden ze bij de rijst gegeten en vormen aldus een zeer gezocht bijgerecht. (Dit kan wel lekker zijn, wie onzer leden probeert het eens?) Mijn berichtgever heeft er zich niet aan gewaagd en kan dus de smaak niet oordeelen. Maar dat deze spijs het inlandsche gehemelte streelt, is een feit.


Dit is zoo ongeveer wat de inlander onder bijenhouden verstaat. De Regeering, voorgelicht door kundige mannen, slaat een anderen weg in en volgt daarbij de westersche gewoonten, zooveel dat mogelijk is. De bijenstand in het district Koetowinangoen heeft op dit oogenblik een zestigtal kasten met bovenbehandeling. De vorm van de kast komt overeen met de onze, alleen is zij kleiner. Dit blijkt het beste uit een nieuwe bijenkast; waarvan een paar afbeeldingen zijn bijgevoegd. Deze nieuwe kast wordt van achter behandeld; honigkamer en broedkamer zijn even groot en tellen 7 ramen. De kasten zijn enkelwandig. De beide kamers hebben een afzonderlijke toegang. Het wil mij voorkomen, dat de dubbelwandige kast, gezien de felle inwerking der zon, de voorkeur zou verdienen.

De schrijver is zoo vriendelijk mij in de gelegenheid te stellen hem vragen te doen, als er nog een en ander is, dat men hier zou wenschen te weten. Mij dunkt, ik kan niet beter doen dan deze gelegenheid voor onze leden open te stellen en de vragen aan mijn vriendelijken correspondent te zenden met het verzoek ze wel te willen beantwoorden. Deze antwoorden zouden dan binnen enkele maanden bij wijze van een opstelletje in het Maandblad geplaatst kunnen worden.

C. JANSEN, 's Gravenhage, Maart 1931.

Noot Red. (Niet doen! Behalve een „honingvraagstuk" zouden we dan ook nog een „larven vraagstuk" krijgen.)