EEN EN ANDER OVER DE IMKERIJ IN NED. INDIË.


De Heer Th.A.M. Gout van Malang, tijdelijk in Holland (den Haag) woonachtig, was zoo vriendelijk mij toe te staan hem te interviewen over bovenstaand onderwerp, dat nog steeds in het brandpunt van de belangstelling der Nederlandsche imkers staat.

Hoog in de bergen in de onmiddellijke nabijheid van het liefelijke dorpje Nongkodjader, in een omgeving, waar tusschen de stemmige, majestueuze dennen, telkens weer de ruige silhouetten van de Tenggertoppen scherp-contourend tegen ijlblauwen hemel, zich dien dag aan ons opdrongen . . . aldus begint een artikel in de Nieuwe Soerabaja Courant van 17 Juli 1930 van de hand van mijn berichtgever, die op weg was om een bezoek te brengen aan den Vader der amateursimkerij in Ned. Indië. dhr. M. Kutscher, Zuid-Duitscher van origine, Duitsch Nieuw Guineaan door immigratie om tenslotte, als een gevolg van den Grooten Oorlog, een der honderdduizenden Europeanen te zijn, die zich veilig voelen in den wonderschoonen Indischen Archipel.

In het dorpje Nongkodjader nabij het hier te lande welbekende Soerabaja vestigde zich dan de Heer M. Kutsche, een geboren imker. Al spoedig na zijn vestiging trok hij de bosschen in om bijenvolken te zoeken. Met zijn buit keerde hij naar zijn woning terug, bracht het volk in een eigengemaakte kast onder, reikte het de behulpzame hand waar hij kon en wachtte het resultaat rustig af. Met verschillende soorten experimenteerde hij op deze wijze om tenslotte te ondervinden, dat het Indische bijtje, apis indica, in alle opzichten aan billijk gestelde imkerseischen voldoet. Uit zijn liefhebberij ontwikkelde zich gaandeweg een bedrijf, dat gunstige resultaten afwierp en andere imkers den goeden weg wees . . . Hij vond een koninginnerooster uit, dien hij zelf in verschillende maten vervaardigde . . . ; zond een door zijn bijen vervaardigde raat naar de Firma B. Rietsche te Biberach in Baden met de opdracht een pers te maken, die kunstraat voor deze raten zou opleveren. De Firma Rietsche slaagde er in aan de hand van het gegeven een doeltreffende ratenpers te ontwerpen.

Nu ging het bedrijf met rassche schreden den weg op naar de broodwinning . . . De Heer Gout, eveneens een der begenadigden in dezen zin, ontwierp een broedkamer, waarin voor 9 ramen plaats was, ramen van de Kutsche afmetingen, die hij in een omhulsel plaatste, dat de Hollandsche kasten in vorm zooveel mogelijk nabij kwam; alleen in het uiterlijk derhalve verschilde de Gout-kast van de Kutsche-woning. De laatste imker toch had de modellen geimiteerd, die in zijn Vaderland gebruikelijk zijn.

De Praktische Imker van Februari '26 draagt een voorplaat, die een getrouwe afbeelding is van een amateursbijenstand (H. Mars te Kali Baroe). De roep, die er van de Kutsche-imkerij uitging, trok tenslotte de aandacht van het Landbouw Departement te Buitenzorg. In 1923 werd een Inlander, de Heer Soeparma, die met vrucht de Lagere Landbouwschool te Soekaboemi doorloopen had, naar Nongkodjadar gezonden om door den Heer Kutsche in de geheimen van de imkerij te worden ingewijd. Het Departement had als tegenprestatie den heer Kutsche toegezegd, dat hem de leverantie van de imkersbenoodigdheden, die het eventueel ten dienste van de inheemsche bevolking zou behoeven, gegund zou worden.

Na eenige maanden in de leer te zijn geweest, trok de adjunct-Landbouwconsulent naar het Departementale Landbouwbedrijf te Ragoenan bij Pasar Minggoe in de buurt van Batavia om te werk gesteld te worden bij zijn chef, den heer J.J Ochse, den Rijkslandbouwconsulent.
Onmiddellijk werden eenige kasten à ƒ 20 p. s. bij den heer Kutsche besteld en de apis indica vond hierin een voortreffelijke woning. Al spoedig achtte de verantwoordelijke autoriteit het noodzakelijk uit zuinigheidsoverwegingen zelf de aanmaak van kasten ter hand te moeten nemen. Algemeen wordt het betreurd, dat bij die eigen aanmaak van de beproefd goede Kutsche maten afgeweken werd. Men verliet o.a. ook de ophangmethode om de raampjes op een slede te plaatsen (Blatterstock-methode). Te laat zou men daarin tenslotte de oorzaken ontdekken van de tegenspoeden, die het Staatsbedrijf ondervond.

De heer Ochse is van meening, dat de klapper — een altijd bloesem dragende vruchtboom — een bijenweide bij uitnemendheid biedt. Ragoenan is evenwel niet het centrum van den klappergroei. Genoemde heer schrijft in het Indische Boerderij no. 21 van het jaar 1921 . . . . De eenige moeilijkheid is de bijen te brengen in streken, waar voldoende honig is, omdat op vele plaatsen op Java regelmatig beslist onvoldoende voedsel is, om met succes bijen te houden. Het is om die reden, dat wij voornamelijk bijen bij de bevolking aantreffen in klapperstreken, waar zij voortdurend over voldoende stuifmeel en honig de beschikking hebben . . . .

De particuliere imkers, waaronder wij de H.H. Kutsche en Gout moeten rangschikken, konden met die uitspraak niet instemmen, gezien het feit, dat zij niet in een klapperstreek woonden en op een maandelijkschen honigoogst konden bogen.
„Bijenkoning" — dit is de naam, die zijn vrienden den heer Gout spontaan gaven na een voordracht in de Sociteit over het leven der Indische Bij en den arbeid van haar Koningin - toonde in het Tijdschrift voor Landbouw en Veeteelt van 13 December 1929 aan, dat het tegenovergestelde van hetgeen de heer Ochse beweerd had, waar is en dat in streken, gelegen op een hoogte, waar de klapper niet meer of zeer schaarsch voorkomt, nog het meeste succes met de imkerij bereikt wordt, zooals in Nongkodjadar (Kutsche) Malang (Gout) en Batoe, Poedjon, Wonosari, enz. Ter staving van zijn beweren vertelde de heer Gout ondergeteekende, dat op de pasar (markt) te Batoe en Poedjon de inlanders 5-gallon tins petroleum-blikken (van 22½ liter inhoud) met honig te koop aanbieden. Deze honig is niet afkomstig van de apis indica, maar van de apis dorsata (de wilde bij). Wel een bewijs, dat niet-klapperstreken als bovengenoemde bijenweiden bij uitnemendheid zijn.

Het zal den lezer welkom zijn even te vernemen, hoe de inlanders dezen honig winnen: het is natuurlijk roofbouw van het eerste tot het laatste. Een inlander ontdekt in een bosch het nest van de dorsata, een gevreesde bij, wier steek koorts verwekt. Aan een stevigen tak hangt een raat ter grootte van 2/3 kamerdeur; één raat, niet meer. De raat heeft een keurig ronden vorm. De dorsata is een bij van ongeveer 3 c.M., de dar is grooter en de koningin naar verhouding.
Tegen den avond brengen de inboorlingen brandstoffen bijeen onder het nest, brandstof met veel groen er tusschen, om voornamelijk rook te verwekken. Deze brandbare materie wordt aangestoken en de aanstekers nemen overhaast de vlucht, daar zij terecht den toorn der werksters vreezen. Blijkt het den volgenden morgen, dat niet alle bijen verdreven zijn, dan wordt tegen het vallen van den avond het uitrookingsproces herhaald. De kust is dan wel vrij; een man klimt gewapend met een hakmes den boom in; een tweede staat met een geopend blik in de hand vlak onder het nest; den kolossalen raat. Stukje voor stukje wordt er nu voorzichtig afgekapt; de honig drupt neer, naarmate het rijkste deel van de raat genaderd wordt, neemt het druppen het karakter van een miniatuur stroompje aan. Met volle blikken dikken honig, die bijzonder smakelijk is, richten de “imkers"(?) hun schreden naar de pasar, waar de zoetigheid in klinkende munt omgezet wordt. Een fleschje inhoudende 2/5 liter brengt gemakkelijk 60 cts. op. De verdreven bijen zoeken elders een woonstee op om, als zij de schade hersteld hebben, opnieuw een bezoek te krijgen.

De heer Kutsche heeft ook gepoogd de dorsata voor zijn zegekar te spannen. In een vertrek werden een paar dwarsbalken aangebracht. Een dorsata-volk werd uit het bosch in de nieuwe woning gebracht, zeer tegen den zin van de wilde gasten. Hun gebrom kon op 500 Meter afstand gehoord worden! De poging mislukte: den bijen werden de vrijheid hergeven. Bij een tweede poging werd de koningin geknipt en met haar volk in een kist geplaatst; nu dan konden de bijen niet weg, gebonden als ze waren aan hun koningin en . . . de bijen lieten de koningin in den steek.
Toen gaf de heer Kutsche zijn pogingen om de dorsata te beschaven op.

Van Ragoenan vertrok de heer Soeparma naar Keboemen, waar de klappertuinen zich uitstrekken, zoover het oog reikt. Het was de bedoeling daar een bijenstation te vestigen, dat heel Ned. Indië van materiaal zou voorzien.
Groote bijenstands werden hier opgericht; de kasten waren alle van het Ochse-Soeparma type. Al spoedig bleek, dat de wasmot niet te weren was. De wasmot, ook hier te lande met recht gevreesd, richt daar veel ernstigere verwoestingen aan.

In het Algemeen Landbouwblad, nrs. 2 en 3 van 12 en 19 Juli 1930 onderwierp Dr. C.J.H. Franssen dit type bijenwoning aan een ernstige kritiek, die in het kort hierop neerkomt, dat de invliegopening te groot is, waardoor de werksters de binnendringende wasmot niet afdoende kunnen weren en eenmaal binnen vindt zij meer dan voldoende ruimte en gelegenheid haar vernielzucht bot te vieren. De afstand van den bodem tot den onderkant der raampjes is te groot. De afval blijft op den bodem liggen, omdat het de werksters in hare beweging niet belemmert. Deze rulle massa biedt een gunstige plaats voor het deponeeren der eitjes. Het kwaad is geschied . . . Nog enkele dagen en de larf klimt tegen den opgaanden wand op. Ook daar is de afstand zoo groot, dat vriend en vijand elkaar niet in den weg loopen; hooger en hooger klautert de groeiende made en van de bovenlat daalt ze langs de keurige cellen af de raat in . . . Wat er dan gebeurt, laat ik gaarne aan verbeeldingskracht van den lezer over.

Het is wel eigenaardig, dat de Kutsche-kast van dezen gevreesden vijand geen last ondervindt: de toegang is nauw, zoodat die met enkele wachters voldoende bezet en beschermd is; de afstand tusschen onderkant van het raampje en den bodem is zoo gering dat elk obstakel, dat zich onverhoopt daar mocht bevinden, als hinderlijk uit den weg geruimd wordt; neen, meer nog de afstand tusschen opgaanden wand en zijkant van het raampje is om dezelfde reden zoo klein mogelijk gehouden, hoewel dit door het eventueel gemakkelijker vastkitten ook zijn bezwaren heeft; bezwaren, die met geduld gedragen worden, gezien de voordeelen, die er aan verbonden zijn. Zoo is dan om bovengenoemde twee redenen Keboemen nog niet geworden, wat er redelijkerwijs van verwacht wordt. Natuurlijk zal zich dat na het wegnemen der gebreken ongetwijfeld ten goede keeren.

Dr. Enoch Zander en andere schrijvers wijzen op het feit dat de imkerij in Europa alleen als nevenbedrijf beoefend kan worden wegens het sterk afwisselende klimaat. Nederlandsch Indië, evenwel het land der eeuwige zomers, is bij uitstek geschikt om het imkeren tot een loonend bedrijf te maken. De heer Gout vertelde mij, dat er in Indië altijd bloei is. Men onderscheidt daar twee hoofdtijdperken van bloei: den Oost-moesson- en den West-moessonbloei; maar bovendien leent de bodem zich uitstekend tot het aanleggen van een overvloedige bijenweide. Men heeft het in de hand elke maand weer honiggevende bloemen te hebben, waarvoor men het zaad op welken tijd men wenscht, aan den boden toevertrouwen kan. Zoowel dhr. Kutsche als hij hadden elke maand opnieuw een honigoogst, die hen volkomen bevredigde!

Een volgenden keer kunnen wij de verdienste mogelijkheden van de imkerij in Indië bespreken.

C. JANSEN, 's-Gravenhage.