
Het kalenderjaar is bijna en het bijenjaar reeds enkele maanden ten einde. Dat is voor ons aanleiding om eens terug te zien, ons eens voor den geest te stellen, wat 1931 ons gebracht heeft. Wat de oogst betreft kunnen we zeer kort zijn. Weinig zomerhoning en vrij wat heidehoning, doch in ieder geval geen buitengewoon schitterend honingjaar. 1931 heeft zich echter gekenmerkt door een levendige propaganda voor het Rijkshonigmerk en er is heel wat honing onder R.M. verkocht en het merk zelf op uitgebreide schaal bekend gemaakt. Het gevolg is geweest, dat de R.M.-bezitters zeer spoedig uitverkocht raakten. Dit geeft te denken en vooral hun, die het merk nog niet voeren, wordt aangeraden niet langer te dralen.
Het mag hier wel eens gezegd worden: „Indien niet meer imkers zich bij het Honigcontrôlestation aansluiten, behoort het R.M. spoedig tot het verleden !"
Kunt U zich indenken, geachte lezers, wat dit zou beteekenen? Hebt ge U wel eens even ingedacht welk een ramp, een nooit meer te herstellen ramp, dit voor de Nederlandsche imkers zou beteekenen? Niet? Welnu, dan zal ik het U zeggen.
1e. Een wapen wordt in den hand gegeven van hen, die bij het verdwijnen van het Rijksmerk op honing belang hebben.
2e. Alle actie voor het Nederlandsche product wordt gesmoord.
3e. Alle daarvoor beschikbaar gestelde gelden zijn verloren.
4e. De Nederlandsche bijenteelt zal bij de huidige malaise snel bergafwaarts gaan.
5e. De kans tot eenige opleving van de Nederlandsche bijenteelt is onherroepelijk verkeken.
6e. De niet R.M.-voerende Nederlandsche imkers zullen het verwijt niet kunnen ontgaan, dat zij het zijn geweest, die zoo'n prachtstuk propaganda voor het Nederlandsche product den doodsteek hebben gegeven en daardoor in de kaart gespeeld hebben van de oneerlijkheid in den honinghandel.
7e. Zij derhalve beschouwd kunnen worden als de doodgravers van de Nederlandsche bijenteelt.
Welk werkelijk enthousiast imker zal zich schuldig willen maken aan een moord op de Nederlandsche bijenteelt en wel speciaal op het oogenblik als die bijenteelt zich uit haar isolement gaat verheffen?
Onze vereeniging is snel gegroeid en steeds meer imkers scharen zich onder hare vanen. Onze Vereeniging is het, die de grootste financieele offers zich getroost heeft . . . . neen . . . . gaarne heeft willen troosten . . . . om het bedrijf loonend te maken.
Onze Vereeniging staat op den bres voor haar duizenden leden en waakt voor de belangen van hen. Maar zij heeft daarbij steun noodig van hare leden zelve. Zij vraagt geen extra bijdrage, zij vraagt alleen, neen zij smeekt U . . . . sluit U aan bij het Nederlandsch honigcontrôlestation, opdat zij kan blijven voortgaan Uw . . . . verstaat het wel . . . . Uw . . . . belangen te behartigen.
* * *
Onze Vereeniging geeft meer, dan zij belooft. Dat behoeven wij hier niet meer te zeggen, dat is voldoende gebleken.
Maar voor hen, die daarvan nog niet zoo doordrongen zijn, willen we dat hier nog eens bewijzen.
Ons Maandschrift, ons bekende Groentje, verheugt zich in een zekere populariteit. „Stuur vooral de verschenen Groentjes" luidt bijna iedere opgave van een nieuw lid. Of . . . . „ik wil nog lid worden, mits . . . ik de verschenen Groentjes nog kan krijgen" . . . . of . . . . „door een ongelukje is dit of dat nummer van het Groentje bedorven, kan ik nog dat nummer bekomen, ik wil er gaarne voor betalen ?" Enz. Dat Groentje is voor menigeen een huisvriend geworden een gaarne geziene gast, omdat het zelden iets vraagt, doch geregeld iets brengt.
Maar ons Hoofdbestuur is niet tevreden, als het niet overal zoekt en snuffelt, om van alles het beste te geven en niettegenstaande men vrijwel algemeen tevreden is met vorm en inhoud van dat Groentje, heeft het H.B. besloten om met ingang van 1932 zeer belangrijke verbeteringen aan te brengen, waardoor, naar wij hopen, een einde is gemaakt aan het steeds nijpend plaatsgebrek. Welke die verbeteringen zijn, zullen we nog maar niet verklappen, doch ge zult het zeer spoedig kunnen zien. Het Januarinummer zal al van die verbetering doen blijken.
Wat we er voor vragen? Niets, althans geen meerdere geldelijke bijdragen. Alleen Uw belangstelling, alleen Uw trouw aan onze Vereeniging, alleen Uw lust onze Vereeniging te doen uitbouwen.
Wij toonen, dat wij, ondanks malaise, niet bij de pakken gaan neerzitten, doch nu, juist nu ons beste beentje voorzetten. Wij worden gedreven door de liefde tot de bijenteelt en de zucht om onze leden het beste te geven, wat binnen onze financieele grenzen te bereiken is.
Zoo sluiten we het jaar 1931 af, om naar wij hopen 1932 te beginnen met nieuwe moed, met nieuwe ideeën, met nieuwe werkkracht tot heil van de Nederlandsche bijenteelt, tot nut van onze duizenden leden.
JOH.A. JOUSTRA.