VERDIENSTE MOGELIJKHEDEN MET DE BIJENTEELT IN
NEDERLANDSCH-INDIË.
In het Novembernummer van het Orgaan (het Groentje) heeft de Heer Jansen een bespreking daarvan in uitzicht gesteld en tevens mij aan de collega's-imkers bekend gemaakt als Indisch-Imker. Gaarne zal ik van de gastvrijheid van ons Groentje gebruik maken om de door mij aan den heer J. gedane belofte gestand te doen.
Het heeft lang geduurd, voordat men in Indië tot het besef kwam, dat bijenteelt enorme voordeelen oplevert. Ook nu nog ziet niet iedereen in de noodzakelijkheid om ter bevordering van de natuurlijke wisselwerking tusschen plant en insect, naast de gewassen en de vruchtboomen ook de bij te kweeken. Wel hebben ingewijden door woord en geschrift de bijenteelt in Indië dikwijls ter sprake gebracht, maar die aanmoedigingen hebben geen of maar zeer weinig resultaat gehad. Hiervoor moeten wel redenen bestaan.
Inderdaad! De omstandigheden, waarin de flora in dat rijke land, dat wij ons Indië noemen, verkeert, waren al bijzonder gunstig. De vruchtbaarheid van den grond, de voortdurende aanwezigheid van heele legers van insecten, de milde weersgesteldheid en meerdere factoren deden de te verwachten oogsten in de meeste gevallen goed uitvallen.
Er behoeft echter niet aan getwijfeld te worden, dat dit spoedig veranderen zal. Zelfs is het thans overal op Java en Madoera reeds op te merken, dat de grond aan de gestelde eischen niet meer kan voldoen. Zonder een goede bewerking en zonder intensieve bemesting levert de bodem niet meer wat men er van verwacht, terwijl intusschen ook het nuttige en tot nu toe volkomen genegeerde insect door de steeds voortschrijdende menschelijke cultuur uit zijn laatste schuilplaatsen dreigt te worden verjaagd. Ik wil, zij het voor ons imkers wellicht ten overvloede, ook nog op een andere bijzonderheid wijzen.
Wij hebben gezien, dat de Inlander het nut van de bijen alleen zoekt in het gewin van honig en was. De Inlander bijenhouder kweekt niet, maar oefent je reinste roofbouw uit. Hij beschouwt de bij dus wel als nutdier, maar als huisdier neemt hij haar niet aan, kan en wil hij dat niet doen. Ook hiervoor is een verklaring te geven.
Waar alle huisdieren zich gemakkelijk aan den mensch wennen, teekenen geven van herkenning en blijdschap als zij deze(n) zien of hooren, daar valt ons immers op de uitzonderlijke aard van de bij, die in cultuur genomen toch niet te temmen is en ons vijandig gezind blijft. Dit is ontegenzeggelijk een van de hoofdbezwaren om aan bijenteelt te doen: de liefde kan niet van één zijde komen. Het is dus onze plicht om er den Inlander op te wijzen, dat daartegenover staat, dat onze huisdieren ieder voor zich ons maar van eenzijdig nut zijn, doch dat de bij ons dubbel voordeel verschaft, doordat zij niet alleen hare producten — honig en was — levert, maar bovendien onbewust ons een nog veel grooter dienst bewijst door de bestuiving van de bloemen te bewerkstelligen en alzoo de vruchtaanzetting bevordert van de planten en boomen, die in onze levensbehoeften voorzien. (Dr. E. Zander's „Die Zucht der Biene" — Christiaan Konrad Sprengel 1811.)
Wij moeten hem voor oogen houden, dat, indien men het zelfs zou willen beweren, dat de honig en was ontbeerd kan worden, wij toch in het belang van goede land- en tuinbouwoogsten goed zouden doen om de bij niet alleen te houden, maar haar ook in dezelfde mate moeten voortteelen en vermeerderen, als wij aan de cultuur van onze voedings- en handelsgewassen uitbreiding willen gaan geven. Waar deze laatste voor ons van vitaal belang zijn, speelt de bij in het menschelijk bestaan een rol, zooals door geen ander huisdier vervuld wordt en is het zeker niet te veel gezegd, als men haar in een tuinbouwstreek de regelaarster noemt van het volksvermogen. Gaan wij nu na wat een vruchtenstreek op Java aan de bevolking kan opleveren.
In het Algemeen Landbouwweekblad van 1 November 1930 geeft A. v. R. over Cheribon en omstreken daarvan de volgende gegevens:
In 1929 werden van genoemde streek verhandeld 11.718.120 K G. mangga's. Uit vele gemiddelde waarnemingen in dat jaar gedaan, bleek dat de prijs per 100 stuks gemiddeld ƒ 2,0885 heeft bedragen en dat er 3,3304 vruchten van diverse variëteiten in 1 K.G. gingen, zoodat dus een som van 3.3304 x 11.7.18.120 x ƒ 0.020885 = ƒ 815.058 (achthonderd vijftien duizend achtenvijftig gulden) aan de mangga-bezitters werd betaald. Genoemd bedrag is de inkoopsprijs. De verkoopsprijs in Batavia en omstreken en in de Preanger bedraagt twee maal het opkoopbedrag, zoodat de Cheribonmanggacultuur in 1929 dus een som aan de bevolking opleverde van ƒ 1.630.100 (een millioen zeshonderd dertig duizend éénhonderd gulden). Dit enorme bedrag werd verkregen van 11.718.120 x 3.3304 = 39.026.026 vruchten.
Volgens een globale berekening kan een klein bijenvolk in Indië 25.000.000 bevruchtingen bewerkstelligen in een jaar. De berekening kan ik ieder, die er belang in stelt, voorleggen.
Als wij de bloeitijd van de verschillende mangga-variëteiten nu stellen op 2 maanden, zal aan zulk een klein volk 1/6 x 25.000.000 = 4.166.666 bevruchtingen kunnen worden toegewezen, circa 1/10 van de totale oogst. Met andere woorden kan een bijenvolk in 2 maanden tijds aan de bevolking, aan geldswaarde ƒ 163.010 opleveren, hetgeen in vergelijking met wat in de manggastreken van Bangil, Pasoeroean, Probolinggo, Kraksaän, Besoeki en Sitoebondo kan worden gepresteerd nog maar aan den lagen kant is, omdat Java's Noord-Oostkust er beter voor staat. In de eerste plaats wel door de zooveel mooiere en duurdere mangga-variëteiten, zooals aroemanis, golek, gadoeng en manalagi, die van 10 tot 25 centen per stuk kosten, ten tweede door de vrij groote uitvoer naar de buitengewesten en last but not least Apis indica daar in veel gunstiger omstandigheden verkeert dan in West-Java (geringere regenval enz.).
Men mag dus niet uit het oog verliezen, dat het indirecte nut van de bij, indien men dat in geldswaarde wil uitdrukken, maar zeer relatief is, omdat het afhankelijk is van de waarde van de bevruchting, die zij bewerkstelligt. In het bovenvermelde geval bijvoorbeeld vertegenwoordigt zulk een bevruchting de geldswaarde van 2 cent. Ditzelfde bedrag kan men niet stellen voor een enkele koffieboon of kapokkolf.
In feite gaat het daar ook minder om, dan wel om het grootere succes, dat de tuinbouwer zal hebben door eemge bijenvolken te houden. Als voorbeeld nam ik de mangga, omdat ik daarvan zelf duidelijk het groote verschil opmerkte tusschen de opbrengst van een tuin, waarin eerst bijen worden gehouden en van dienzelfden tuin, toen later de bijen waren weggenomen.
Met betrekking tot de kapokcultuur is het bewijs van de wisselwerking tusschen plant en bij ook reeds met zekerheid vastgesteld. Verscheidene Kapokondernemingen nemen tegen den tijd van de randoe (= kapok) bloei, wanneer zij al niet zelf in het bezit zijn van bijenvolken, deze zelfs in huur. De kapokbloesems worden zeer sterk door Apis indica bevlogen.
Teekenend is ook de volgende strijdmethode om aan concurrentie het hoofd te bieden. Te Poedjon kocht een djeroektuineigenaar van zijne concurrenten alle glodogan's (de uitgeholde boomstammen, waarin de indica behuizing vinden) op en ook die, welke in het bezit waren van menschen, die in de nabijheid van andere tuinen woonden.
Het doel, dat hij daarmede beoogde, is niet moeilijk te raden. Ook te Batoe, Poedjon en Malang bloeit een vrij groote vruchtenhandel, voornamelijk in djeroeks en worden eveneens ettelijke tonnen gouds daarmede verdiend.
Betreffende de directe voordeelen, die men in Indië met bijenteelt kan behalen, het volgende.
Onder gunstige omstandigheden, d.w.z. mooi weer en goede dracht, levert een tamelijk sterk volk gemiddeld 20 pond honig per jaar. Ik had zelfs volken, waarvan ik 32 pond honig oogstte, maar deze uitzonderlijk mooie resultaten laten wij hier buiten beschouwing. Wanneer men een imkerij opzet, zal men alleen met de gemiddelde productie rekening moeten houden.
De imkerij van den heer Kutsche te Nongkadjadjar leverde in 1928 met 70 volken juist 1400 pond honig. De honig, die in een centrifuge geslingerd en dubbel gezeefd wordt en dus zuiver is, wordt tegen ƒ 2.- het pond grif van de hand gedaan. Nooit heeft de imker geklaagd, dat hij een honigoverschot had. De opbrengst dezer imkerij bedroeg aan honig dus ƒ 2800.- 's jaars, d.i. een verdienste van ƒ 233.- 's maands. Het was werd gesmolten en tot kunstraten geperst, die òf voor het eigen bedrijf wordt aangewend òf verkocht en dan ƒ 6.- de- K.G. doet. De vraag naar kunstraat was vrij groot en aangezien alleen de Heer Kutsche die kon leveren, kon hij daarop eveneens een aardige verdienste boeken.
Terloops moet hier nog vermeld worden de verdiensten uit den verkoop van dood en levend materiaal, dat in een dergelijke beroepsimkerij soms eveneens een tamelijk goede winst kan geven. Een modern opgezette imkerij heeft daarentegen enkele uitgaven en al zijn deze niet groot, zoo moet men die toch onder de oogen zien, ten einde een zoo zuiver mogelijk beeld te krijgen van de verdiensten van den imker. In de eerste plaats mag dan de vraag gesteld worden: hoeveel tijd besteed een imker aan zijn bijenvolken? Nu bestaan hiervoor reeds nauwkeurig aangelegde statistieken. Professor Dr. Enoch Zander heeft bijvoorbeeld in 1919 als Leider Directeur van het „Landesanstalt für Bienenzucht" in Erlangen een zeer nauwgezette opname gedaan en kwam tot het cijfer van 4,2 uur per volk per jaar. Sechrist en Kifer (1929) rekenen voor de Amerikaansche grootbedrijven met 500 volken jaarlijks 3 uur per volk. De meest nauwkeurige opgave is die van Frei (1927) die een statistiek hield gedurende 1921—1926 over verschillende aantallen bijenvolken.
Frei geeft als jaarlijksche arbeidsduur op voor bijenstanden van:
1 — 10 volken . . . . .8.36 uur
11—20 volken . . . . .6.54 uur
21—30 volken . . . . .5.55 uur
31—40 volken . . . . .4.45 uur
41—50 volken . . . . .5.21 uur
51 en meer volken . .5.41 uur.
Men ziet uit deze opgaven al dadelijk dat het bijenhouden zich in het bijzonder leent tot passe-temps of een nevenbedrijf. Het eischt geenszins een ononderbroken toezicht, ook al houden wij voor Indië in verband met het gemis van den wintertijd er rekening mede, dat aan de statistische tijdsopgaven nog 1/3 van den tijd gevoegd worde.
De statistieken leeren ons ook, dat wij met een getal van 31—40 volken op één stand het meest economisch kunnen werken. De reden hiervan moet gezocht worden in het feit, dat men het aantal op één stand te houden volken niet steeds maar kan opvoeren. Het nadeel daarvan heeft ook de heer Kutsche te Nongkodjadjar gemerkt. De volken vonden ten leste te weinig voedsel. In Maart 1931 schreef de heer Kutsche mij, dat de bijen in Nongkodjadjar een slechte tijd meemaakten en verscheidene zijner volken waren weggevlogen. Hij had in twee stallen meer dan 60 volken gehuisvest, kwam terug van eene langdurige afwezigheid wegens ziekte en had niet de voorzorgen kunnen nemen, die hij wel wenschte.
Het droevig resultaat was, dat verscheidene hongerzwermen afvlogen. Ook al zou men vele honig- en stuifmeelgevende gewassen aanplanten, (bijvoeren moeten wij in Indië als zeer oneconomisch verwerpen) dan nog is het om hygiënische redenen af te raden op één stand meer dan 40 volken te houden.
De langere arbeidsduur, die Frei noteerde voor meer dan 40 volken moet dan ook daaraan worden toegeschreven, dat men de bijenwoningen op verschillende standen heeft staan en daardoor meer tijd verliest. Overigens zijn de bedrijfskosten, wanneer men de kasten zelf knutselt, niet hoog. Dure kasten zijn niet noodig, het Indisch klimaat werkt er toe mede, dat men met eenvoudige kistjes imkeren kan, mits men de biologische eischen van de indica slechts voor oogen houdt. En hierin hebben, naar ik meen, én de heer Kutsche én de heeren landbouwconsulenten in Indië gefaald.
Tegen vocht en hitte moet in Indië worden gestreden, in Europa tegen vocht en koude. Men vrage zich dus af, hoe de kast moet worden geconstrueerd om doelmatig te zijn. De grootste uitgaven zijn die van eerste aanschaf van voor de imkerij benoodigde materialen, als roosters, honigslingers, kunstraatpersen, bijenkappen, enz. enz.
In geen geval bedragen zij evenwel ƒ 50.— ‘s maands. Men bekomt met een moderne imkerij dan ongeveer een winst van ongeveer 40 maal zooveel guldens 's jaars als het aantal volken bedraagt, dat men houdt.
Velen in Indië houden ook nog bijen in vasten bouw. Voorbeelden hiervan trof ik aan op de theeonderneming Wonosari bij Malang en op Wates Kediri. Te Wonosari waren het een vijftiental volken, die gehuisvest waren in kistjes en uitgeholde boomstammen. Men oogstte haast elke maand van deze, dan weer van een andere korf de honig. Deze diende voor eigen gebruik. Op Wates Kediri hield de heer Huysers op een ± 15 bouw (1 bouw = 500 vierk. Rijnl. roeden of 7096,5 vierkante Meter) grond verspreid in heel eenvoudige kistjes een honderdtal Apis indica-volken in vasten bouw. Hij oogstte tweemaal per jaar na den Oostmoesson- en na den Westmoesson-bloei. Uit een kistje werden dan de oudste raten uitgesneden, twee of drie jonge raten werden den bijen gelaten. Door uitpersen der raten verkreeg hij uit een kist gemiddeld twee wijnflesschen honig per oogst, dus per jaar per kist 4 flesschen. Een flesch bracht ƒ 3.— op, zoodat deze imkerij hem jaarlijks ƒ 1200.— inkomsten gaf. Het was, dat, gezien de werkwijze eveneens in voldoende hoeveelheid werd gewonnen, deed ƒ 1,25 de katti (= 1¼ Amst. pond = 0,617 K G.). Onderhouds- en materieele kosten had hij met deze imkerij natuurlijk niet, vervoerkosten evenmin.
Blijkt uit bovenstaande voorbeelden al reeds dat de moderne losse bouw imkerij (Kutsche) meer winst afwerpt dan een imkerij, waarbij de teelt in vasten bouw gevoerd wordt, eerlang zal bovendien meer vraag zijn naar zuivere, geslingerde honig en zal ten leste geperste honig op de Indische markt evenmin meer waarde hebben.
De uitvoer van was en honig op Java en Madoera beliep in 1928: was bijna 69000 K.G. ter waarde van ƒ 100000; honig 73000 K.G. ter waarde van ƒ 39000.—. De producten waren door roofbouw verkregen en zeer onzuiver. Men perste de honig en vervalschte het was met hars e d.
De invoer van honig uit het buitenland bedroeg ruim ƒ 60.000.—. Dit artikel wordt in het bijzonder door apotheken tegen fancy-prijzen verkocht.
Het spreekt vanzelf dat de daarbij gemaakte winsten den imker ten deel zouden kunnen vallen. Van andere jaren staan mij op het oogenblik geen gegevens ten dienste. Was werd, toen de batikkerijen nog bloeiden in enorme hoeveelheden uit het buitenland ingevoerd en nu nog bewondert men in de batiksteden Pekalongan, Djocja, Solo de paleizen, die van de winsten gewonnen in dien washandel door Arabieren en Chineezen werden opgebouwd.
De batikhandel staat nu zoo goed als stil, maar toch zit dunkt mij, in bovengemelde uitvoercijfers van het was voor den imker nog muziek.
TH.A.M. GOUT.