PRACTISCHE ERVARINGEN.
Een dezer dagen, van de jacht 's avonds om een uur of acht thuiskomende, hoorde ik achter in mijn tuin een zonderling geschreeuw, nu eens harder en dan bijna niet te hooren. Ga naar binnen en leg mijn meegenomen langoor op den grond. "Een dikkert zegt mijn vrouw", die ook bij mij achter komt. "Maar wat heb je nu nog meer mee genomen" zeg ze, "dat is een geschreeuw in den tuin, is dat misschien een uil?". Op mijn vraag of dat gehuil al eenigen tijd geduurd heeft, zegt ze: "ja wel al een twintig minuten." Nadat ik verteld had dat ik dat geschreeuw ook al op eenigen afstand van ons huis gehoord heb, zegt ze: "Ga dan maar eens kijken het is bij je bijenstal dan lang niet pluis."
Gewapend met een zaklantaarn en een flinken stok ga ik den donkeren tuin in. Het dier mij zeker ziende, begon nu nog harder te schreeuwen. Ik zocht met mijn kleine lichtbundel de plek op, waar het geschreeuw vandaan kwam en ja onder de heg dicht bij mijn bijenstal zie ik het dier en wat is het? "een bunsing". Ik trek hem met de stok naar mij toe, maar toen beet hij in de stok steeds maar door erbarmelijk schreeuwend. Ik dacht wat geeft het ook, sla het dier dood voor het misschien nog wegloopt. En zoo gedacht, zoo gedaan een flinke slag en het werd stil; het was met hem gedaan. Mijn vrouw op een afstand staande vraagt: "wat is het?" Ik zei: "een heel vreemd dier ik zal ze meenemen, dan kunnen wij bij 't licht beter bekijken." Doch thuis komende zag ik wel dat het een bunsing was doch lange geen dooie, want op eens begint me het dier weer te schreeuwen, van wat heb ik je. Nu kwam een nieuwe slag echter beter aan, nu was het morsdood.
Het dier nu van alle kanten bekijkende, bemerk ik tot mijn verwondering, dat het vooral bij 't hoofd vol bijen zat, diep in het lange haar weggekropen. Daarom had het dier dus zoo geschreeuwd, de bijen hadden het vreeselijk gestoken.
Ik ga met mijn zaklamp naar de bijenstal, doch daar is alles rustig, behalve één strookorf is nog wat bedrijvig in 't vlieggat, meer echter niet. Ik denk dat zal wel van het bizonder mooie weer komen, meer niet.
Den volgenden morgen ga ik nog eens weer naar mijn bijenstal en bekijk die eene korf, die naar ik meende, den vorigen avond wat rumoerig was. En wat zie ik, daaronder ligt een dooie muis. Nu ging mij een licht op, de bunzing had deze muis geroken en probeerde die door aan de korf te krabben er uit te halen, de bijen in haar rust gestoord, gingen den onruststoker te lijf met als gevolg wat ik boven verhaalde. Jammer dat de bunsings geen ƒ 10 meer waard zijn, anders hadden ze mij een goeien avond bezorgd.
V., D.B.