GEMENGD NIEUWS.

DE BIJENWOLF.

In Berka in het Werradal in Duitschland zijn groote Kaliwerken, waar voor verwarming bruinkolen worden gebruikt. De grijze asch hiervan heeft zich tot kleine bergjes opgehoopt en hierin maken de wijfjes van dit insect bij voorkeur haar nestholten. Het gevolg daarvan is dat zij daar talrijk voorkomen en in zoo'n massa, dat de Imkers daar hun bijenvolken merkbaar in sterkte zien afnemen (zie blz. 282 van de Mark. Bienenzeitung 1930).
In ons land vond ik een bericht van den Bijenwolf uit het jaar 1859, toen kwam hij talrijk voor aan de oevers van de IJsel, ook wordt het talrijk voorkomen gemeld in die Deutsche Biene van 1927 blz. 31. Berichten over den bijenwolf komen niet zoo dikwijls voor, daarom alleen maak ik er melding van.

Verder las ik een bericht over een weggevlogen zwerm. De zwerm kwam af, bleef ½ uur zitten en trok weg. Hij werd door 3 belanghebbenden gevolgd en één daarvan zag hem na een jacht van 3 uur binnentrekken onder het zinken dak van een koepel. Het loonde de moeite niet, het zink weg te nemen en weer op te leggen teneinde dezen zwerm te scheppen. Merkwaardigerwijze is het volk in dit ongewone verblijf sedert 1914 in beste conditie, geregeld wordt ieder jaar een zwerm afgegeven. In 1929 vloeide in het voorjaar honig uit de vliegopening, die de bijen weer oplikten.

Dr. Leuenberger schrijft in de tweede uitgave van die Schweiz. Bienenvater: "De bijen kunnen evengoed in spleten als in holten wonen". Hier zien wij een bewijs daarvan, onder een zinken dak is de vrije ruimte naar boven gering. Het doet denken aan de Danhkeskorf, die wel breed; maar weinig hoog is. De honigkamer moet voorzien in meer ruimte als er veel dracht is; legt men een rooster op, dan is de honigkamer spoedig gevuld. Ik vermoed dat dit beginsel Dahnke aanleiding gaf zijn korf te maken. In de derde uitgave van die Zucht der Bienen van Prof. Zander wordt de korf van Dahnke dan ook genoemd.
L.J. VAN RHIJN.

EEN STOPFLESCH ALS HONIGKAMER.

Wanneer ik in Katwijk ben bezoek ik altijd den Bijenstand van mijn vriend Geesink. Hij had dit jaar (1930 Red.) geen honig gewonnen. Bij het nazien van zijn volken zag ik in een kast op de broedkamer een groote, wijde stopflesch staan. De bodem was afgesneden, waardoor een glazen cilinder overbleef, boven afgesloten met een glasplaat. Tegen deze plaat had Geesink een stuk kunstraat in een cirkel bevestigd en toen op de broedkamer neergezet. De Bijen hadden dit stuk raat tot onder toe afgebouwd, jammer dat het zoo'n slecht honigjaar was anders was er stellig raathonig in gewonnen. Ik had dit nimmer gezien, daarom alleen deel ik het met toestemming van Geesink mede. Het glas was lang helder gebleven, de laatste dagen werd hier en daar wat was er tegen uitgestreken. Het is een verrassend gezicht als de kast open gaat; want dan wordt de geheele bouw in de cilinder zichtbaar.
L.J. VAN RHIJN.

HET EERSTE OBSERVATIESTATION IN EUROPA.

In het boek van Unhach anno 1823 Seite 29 staat:
In 1801 had Unhach reeds een magazijnstok op een balans staan met een kalender voor dagelijksche aanteekeningen. Op goede drachtdagen was de toename per dag 1, 2, 3 en 3½ pond. Eind Juli 1807 had het magazijn het hoogste gewicht en wel 128 pond. De standplaats was in Beieren.
L.J. VAN RHIJN.

WAARNEMING VAN EEN COPULATIE DER MOEDERBIJ.

Omdat dit steeds een toeval is maak ik daarvan melding. In die Deutsche Imker van 1931 blz. 4, alinea 1 staat: R. Jordaan, Oberleutenant, stond 27 Juni 1928 bij zijn bijenstand. Het weer was warm en zonnig dien middag. Plotseling zag hij iets zwarts uit de lucht naar beneden vallen. Bij onderzoek bleek het een moederbij in copulatie te zijn. De moer bleef eenige oogenblikken stil zitten, daarna liep zij voort en sleepte den dooden dar mede. Ik nam haar op en maakte den dar voorzichtig vrij, daarna zette ik haar op den grond neer. Zij deed enkele diepe ademhalingen en vloog toen weg. Duidelijk kon ik zien, dat de dar op de moer had gezeten en niet andersom.

L.J. VAN RHIJN.