
Plantenbescherming en bijenteelt. (Praktischen Wegweiser no. 6.)
Door Prof. Dr. Borchert wordt het volgende medegedeeld over het gebruik van gifthoudende middelen ter bescherming van planten en den invloed hiervan op bijen.
De onderzoekingen bepaalden zich tot 21 arsenicumpreparaten en verder tot fluornatrium en tot koperhoudende preparaten. In verschillende sterkteverhondingen werden deze preparaten met bijvoeging van poedersuiker telkens aan 4-6 bijenvolkjes (van ± gemiddeld 100 bijen) verstrekt. De bijen reageerden verschillend op deze preparaten. Ongeveer 20% der proeven waren bruikbaar. Het afsterven der bijen bedroeg van 28-32%. Het gelukte te berekenen, welke minimale hoeveelheid der genoemde preparaten er slechts noodig was, om schadelijk op de bijen te kunnen inwerken.
Dr. Hilgendorff deelt het volgende mede over het aantreffen van arsenicum in het bijenlichaam. Door de wetenschap is 't mogelijk het aanwezig zijn van arsenicum in het bijenlichaam tot in breukdeelen van een miligram te bepalen. Arsenicum komt in geringe hoeveelheden in planten, zaden, levensmiddelen (suiker) in menschelijke organen, bij visschen en ook bij bijen voor. Het voorhanden zijn van een geringe hoeveelheid arsenicum bij bijen, behoeft dus nog geen bewijs voor arsenicumvergiftiging te zijn.
Dr. Götze wees vooral op het gevaar dat de bijen en bijenstanden zelf met het gift in aanraking komen, bij de fijne bestuiving. De honig zou bij arsenicum-vergiftigingsgevallen arsenicumvrij zijn, het stuifmeel echter arsenicumhoudend.
G. VELDKAMP.