Wenken voor beginners.


Februari! Voor onze bijen een belangrijke maand! Ofschoon het buiten maar al te vaak nog verbazend koud en guur kan zijn, in het inwendige van onze bijenwoning begint in dezen tijd van het jaar het nieuwe leven zich al weer te ontwikkelen. Wanneer het weer niet al te ongunstig is begint n.l. de moer in de laatste helft van Januari, doch anders zeker in de loop van Febr., met het leggen van de eerste eitjes. Zoodra dit is geschied, heeft er in het bijenvolk een groote verandering plaats. De temperatuur in den bijentros moet dan worden opgevoerd tot ± 34° Celcius en, onafhankelijk van de buitentemperatuur, constant op die hoogte worden gehouden. Het ligt voor de hand dat de bijen, om dit te kunnen bereiken, meer voedsel moeten opnemen dan in het broedlooze tijdperk.

Zoodra uit de eerste eitjes, na drie dagen, larfjes te voorschijn komen, welke larfjes zooals bekend, niet met honig, doch met een door de bijen zelve bereid voedersap moeten worden gevoerd, nemen de bijen tot dit doel ook stuifmeel tot zich. (Stuifmeel bevat n.l. eiwit en vet, wat met honig niet het geval is.)

Waar nu méér voedsel wordt opgenomen en er dus, mede door de onverteerbare resten der stuifmeelkorrels, meer afvalstoffen zich in den endeldarm der bijen ophoopen, wordt de behoefte om zich van die stoffen te ontdoen grooter. Bekend mag worden verondersteld, dat de bijen zich in normale omstandigheden niet in de woning ontlasten. Gelukkig komt er in Febr., soms ook wel reeds eerder, eens een mooie zonnige dag, waarop de bijen gelegenheid krijgen om eens uit te vliegen, tot het houden van den zgn. "groote reinigingsvlucht". Men ziet dan in korten tijd nagenoeg alle bijen de woning verlaten en vindt de sporen van de reiniging dan in de omgeving van den bijenstal rondom op den grond. Indien eenigszins mogelijk, zorgt de imker dan op zijne stand aanwezig te zijn!

Wat is het een genot, om na weken, ja soms maandenlange stilte op den stand, het ons zoo bekende en liefgeworden gezoem weer eens te kunnen hooren! Gelukkig de imker, die al zijn volken weer flink ziet uitvliegen. Hij heeft dan althans de zekerheid, dat ze alle nog in leven zijn. In ons vorig artikeltje merkten wij al terloops op, dat we bij den aanvang der reinigingsvlucht de vlieggaten wijdopen zetten, na afloop kunnen we ze wel weer verkleinen Wanneer een volk soms zeer weinig vliegt mogen we direct hieruit nog niet opmaken, dat dit volk zeer zwak is, het schijnt dat het eene volk ook meer behoefte heeft om te vliegen dan het andere. Wel kunnen we, als het een kastvolk betreft, eens onderzoeken of het vlieggat misschien ook verstopt is, b.v. door doode bijen. We halen tot dat doel even een omgebogen stukje ijzerdraad door het vlieggat. Vinden we werkelijk veel doode bijen, dan onderzoeken we of er ook stukgeknaagden bij zijn, in dat geval hebben we bezoek van muizen gehad! We lichten dan voorzichtig aan de achterkant de dekkleedjes even op, teneinde de muis te laten ontsnappen en nemen dan natuurlijk maatregelen om een opnieuw binnendringen te voorkomen.

Na het beëindigen der vlucht moeten, we eerst goed op het gedrag der volken letten. Is alles opnieuw in diepe rust, dan hebben we niets geen zorgen te maken. Het kan echter voorkomen dat een enkel volk onrustig blijft, dat er bijen als zoekende rondom het vlieggat blijven loopen. In dat geval is er veel kans op, dat het volk de koningin heeft verloren, dat het dus moerloos is. We teekenen dit volk aan als "waarschijnlijk moerloos". Verder kunnen we er thans niets meer aan doen. Mochten de bijen zich ter reinigingsvlucht opmaken wanneer de grond met sneeuw is bedekt en dat gevaar is in. Febr. niet denkbeeldig, dan moeten we, als de winterzit niet al te lang heeft geduurd, dit uitvliegen beletten door b.v. planken of rietmatten voor de woningen te plaatsen, zoodat de zon ze niet kan beschijnen. Dit doen we trouwens telkens wanneer er sneeuw ligt. Achten we het uitvliegen toch noodzakelijk, b.v, wanneer zich roerverschijnselen voordoen (bruine stippen rondom het vlieggat) dan bedekken we de sneeuw voor de woningen met zakken, o.i d., daar er anders te veel bijen zouden omkomen.

Van voedselgebrek mag, wanneer we in den herfst voldoende voorraad hebben gegeven, in Febr. nog geen sprake zijn, mochten de muizen ons echter parten hebben gespeeld (zie boven) dan kunnen we het beste een stuk raathonig onder het dekkleedje vlak boven den tros leggen en alles weer goed afdekken, of bij ronde korven tusschen de raten brengen tot vlak bij den tros en met een paar spijlen vastmaken. Er is in dezen tijd echter wel weer behoefte aan water. Om daaraan tegemoet te komen kunnen we in de nabijheid van den stal ondiepe bakjes met water plaatsen, waarop wat strootjes om verdrinking te voorkomen. Desnoods lokken we de bijen er heen met suikerwater.

Leeuwarden,
IJ. STIENSTRA.