HUMORHOEKJE.


Wat ik U ga vertellen is van recenten datum. Hieruit kunt u zien dat een vos wel zijn haren maar niet zijn streken verliest. Voor eventueele navraag naar de waarheid van wat volgt zal ik in deze vertelling maar geen namen noemen. Wien het aangaat, veronderstel ik, zal wel tegen een grapje kunnen.

Ik was keurmeester op een groote Nationale Landbouwtentoonstelling, annex een afdeeling voor Bijenteelt. Vooral deze rubriek was, wat inzending en regeling betrof, erg dunnetjes. Mijn mede-keurmeesters bestonden uit een Secretaris van een bloeiende Vereeni-ging. Nog een beetje jong en had nog niet lang genoeg met mij om gegaan om mijn streken te kennen en te begrijpen. Overigens een pienter baasje die de kracht in zich voelde om de geheele wereld, imkerswereld natuurlijk, te veroveren. Nummer twee een Redacteur van zeer vele Provinciale en Interprovinciale week, maand, half en heel jaarlijksche landbouwperiodieken. Ook schoolmeester; en nog wel een die vergrijsd is in zijn vak, met een buikje, wat er op wijst, dat hij met de leveranciers van landbouwproducten op goeden voet staat en deze met smaak weet te gebruiken, (de producten wel te verstaan). Om zijn buik en verdere ledematen hing, nonchalant, een goed stuk kleeren. Kortom den waren typus van een in zelfgenoegzaamheid en zelfvoldaanheid levenden "Homosapiens" overigens niet kwaad.

Den avond voor den keuringsdag werd ik al opgecommandeerd, en in een zeer goed Hotel ingekwartierd. Ik had er mij al op voorbereid om mij zoo alleentjes dik te vervelen. Per geluk trof ik er een vriend, welke voor een andere functie, daar tegenwoordig was en ook in hetzelfde Hotel was ondergebracht. Zal ik hem u ook even typeeren? Och, ik kan dit in een paar woorden doen. Hij is imker, en niet enkel en alleen theoretisch en practisch, maar ook in zijn hart. Men zegt dat een oprecht imker ook een goed mensch is, welnu, hier hebt u den typus van een goed mensch, een Heer. U begrijpt dat ik blij was hem daar te ontmoeten, in hetzelfde Hotel te zijn ondergebracht, en wat wel eens gemompeld werd, was daar de waarheid: we sliepen onder één deken.

's Avonds te voren: begin van het officieele gedeelte. Ontvangst ten Stadshuize, en fakkeloptocht met muziek, naar het tentoonstellingsterrein. Met genoegen heb ik mijn vriend bewonderd, hij is nl. een dikke zestiger, hoe keurig en stram, en vol vuur, hij nog op de tonen van gezellige marschmuziek in 't gelid liep. Zijn oude leermeester, Wilhelm, heeft eer van zijn werk. We hadden naar behooren onze opdracht volbracht en kregen van het tentoon-stellingsbestuur een uitnoodiging voor het officieele diner. U begrijpt dat we deze uitnoodiging dankbaar accepteerden, want we waren moe en hongerig. Vooral onze vriend de schoolmeester begon kennelijke teekenen van verval te vertoonen. Alles wees er op dat wij, bij al wat ons voorgezet werd, schoon schip zouden maken.

We troffen aan tafel een goed plaatsje. De secretaris aan mijn linker-en de schoolmeester aan mijn rechterzijde. De "deugd" natuurlijk in 't midden. De tafel was keurig gedekt en volop met bloemen versierd. Voor ieders couvert stond een fleschje roode en een fleschje witte wijn. Het voorgerecht, van allerlei koude spijzen, was nog niet verorberd of mijn rechter buur vraagt: zoude de wijn ook bij het diner inbegrepen zijn en niet behoeven te betalen? Mijn linker, niet linke buurman, wilde vóór mij antwoorden, doch kreeg een geweldige trap onder de tafel, en begreep, dat hij zijn snoet moest houden. Welzeker, zeg ik, hoort dit er bij. Zoude gij denken dat ze ons willen vragen om de wijn voor onze monden te zetten en dat we er niet van zouden mogen gebruiken? Want zie maar, zeg ik, we hebben twee soorten, de roode is tafelwijn en de witte behoort bij de visch, welke volgens het menu, opgediend zal worden. Ze weten het hier wel hoe of het behoort.

Meestertje denkt van de Prins geen kwaad. Er wordt nog al getoost En als goed Vaderlander moet de eer van ons Vorstenhuis hoog gehouden worden, en dus is het eerste fleschje roode wijn spoedig door meestertjes keelgat weg getoost. De visch wordt opgediend. Meestertje zeg ik, visch is gewend te zwemmen; zal ik u het witte nat eens inschenken? Wel ja, zegt meestertje, we zijn niet gewend om thuis de visch in een wijnvijver te laten spartelen, en zijn tongetje smakt om zijn borstelig kneveltje, als vindt hij het zonde dat er één druppeltje van dien "Götterdrank" verloren gaat. Meestertje wordt een beetje jolig. Zijn wangetjes beginnen een doezelig, rosig waas te krijgen. Zijn oogjes worden klein en glunder. Toe maar meestertje, ik drink nooit geestrijke dranken en mag ik u mijn fleschje inschenken? Wel ja, zegt die goeierd, als ik jouw er een plezier mee kan doen, en 't is toch zonde als de schimmel er op komt.
Ik heb alle moeite om mijn linkerbuurman koest te houden. Eindelijk dringt mijn opzicht tot hem door. Hij moet zich even van tafel verwijderen om te kunnen uitproesten van het lachen.

Gaarne had ik het vierde fleschje ook nog in meestertje gepropt, maar we moesten weg. Onze laatste trein vertrekt op tijd en kunnen dus niet op pudding en fruit wachten, 't Speet me wel voor meestertje, maar het ging niet. De autobus staat klaar. We staan gedrieën op. Mijn secretaris en ik hebben niets te verzorgen. De kelners staan aan den uitgang paraat om iederen dinarius te vragen of ze ook nog iets af te rekenen hebben. Geen wijn gehad of zoo?

Meestertje kan zijn hoed niet vinden. We schieten vooruit en nemen plaats in de bus. Daar komt ontsteld "keurmeestertje" aangeloopen en geheel verbluft smakt hij naast ons in de bus neer. Zeg, hebben jullie ook de wijn moeten betalen? Wel neen, zeg ik, dat was ook niet noodig. Wel zegt hij ontdaan, ik wel, en heb van morgen nog mijn vrouw om de portemonaie gevraagd, voor eventueele uitgaven, en nu is ze leeg. Hoe zal dat afloopen. Wees maar gerust zeg ik, dat moet op een abuis berusten. Weet je wat of je doet. Wanneer je thuis komt schrijf je een netten brief aan den Hotelier, met verzoek, om je het per abuis betaalde bedrag terug te zenden. Of meestertje dit gedaan heeft heb ik hem nooit durven vragen. Tableau!

H., S.F.