INGEZONDEN.


Nogmaals "krasse beschuldigingen".

Naar aanleiding van het Ingezonden van Mr. Ebbinge Wubben in het Jan.no. onder bovenstaanden titel zou ik gaarne in het ondervolgende eenige vragen tot dien schrijver willen richten, daar deze pennevrucht van hem niet alleen op mij doch op meerdere lezers in mijne onmiddellijke omgeving en wellicht op nog heel veel meer lezers in onze Vereeniging, waar genoemde heer toch Lid van het Hoofdbestuur van is, al een heel onaangenamen indruk heeft gemaakt.

Waar ik, hoewel ik er in het geheel geen baat bij heb, omdat ik geen honing verkoop en dus ook geen honing onder Rijksmerk aan den man breng, ontzettend veel voor het Rijkshonigmerk gevoel, omdat dit naar bescheiden meening naast een door de Regeering in het leven te roepen declaratiedwang voor buitenlandschen honing het éénige middel is, om onzen volwaardigen, zuiveren Nederlandschen honing die plaats in den honinghandel te bezorgen, welke hij beslist behoort in te nemen, daar vraag ik mij af en meerderen met mij, waar dan toch wel dat "krasse staaltje van oneerhjktieid in het huidige Rijksmerk" te vinden is, waar hij als Hoofdbestuurslid van onze Vereeniging, die lid van het Nederlandsch Honigcontrôlestation is met zooveel nadruk op wijst, zonder echter aan te duiden, wat dan wel die oneerlijkheid is.

Tevens vragen wij ons verder af, wat dan toch wel de "andere den heer Joustra eveneens bekende redenen" zijn, waarom er personen zijn, die "het Rijksmerk niet in het belang van de bijenteelt vinden en zich daarom niet aansluiten"?

Waarom in dit artikel slechts uiterst vage bewoordingen gebezigd en het kind niet bij zijn vollen naam genoemd? Dat zou toch wel zoo rationeel geweest zijn dunkt mij, want als een man als de heer E.W. in zijn positie in onze Vereeniging van meening is, dat er iets oneerlijks in het Rijksmerk wordt aangetroffen, dan wil het mij in het waarachtig belang van de bijenteelt in ons land toeschijnen, dat die oneerlijkheid klaar aan het licht wordt gebracht, opdat zij zoo spoedig mogelijk uit den weg worde geruimd, want onze bijenteelt mag niet benadeeld worden, integendeel, iedereen, die zich bij onze Vereeniging heeft aangesloten is mijns inziens verplicht, zijn beste krachten in te spannen als lid van onze organisatie om die bijenteelt zoo hoog mogelijk op te voeren, haar tot den grootsten bloei te brengen.

Dan is het noodzakelijk, dat klare wijn wordt geschonken en niet met vage beantwoordingen een ongunstige beteekenis wordt gegeven aan een zaak, die naar het inzicht van tal van personen, het volle daglicht mag zien en waar niet alleen onze Vereeniging doch nog twee andere groote vereenigingen op Imkergebied lid van zijn, derhalve hun goedkeuring aan hebben gehecht.

Daarom zou ik gaarne van den heer E.W. wenschen te vernemen:
1e, waar die krasse staal van oneerlijkheid in het Rijksmerk schuilt?
2e, wat de redenen zijn, die enkele of meerdere personen het Rijksmerk niet in het belang van de bijenteelt doen vinden?
En dan hoop ik niet, dat hij aan zal komen met de mededeeling, dat er enkele verkoopers van buitenlandschen honing onder onze leden zijn, die het niet prettig vinden, dat het Rijksmerk bestaat of dat er personen onder onze leden worden aangetroffen, wier grootvader nooit van het Rijksmerk had gehoord en hun vader evenmin en dat ze toch hun honing verkochten en zich dus afvragen, waarom zij zich nu met die nieuwigheid zullen gaan bemoeien.

Want dat zijn geen redenen, om het Rijksmerk oneerlijk of niet in het belang van de bijenteelt te vinden. Laten zulke personen dan ronduit op hun honing vermelden, dat hij uit het buitenland afkomstig is, dan weet het publiek, waar het aan toe is en kan het zelf een keuze doen, wat het gebruiken wil, Nederlandschen honing dan wel buitenlandschen, op dezelfde wijze als dat bijv. met boter het geval is. Als dan die buitenlandsche honing nog flink wat lager in prijs gesteld wordt, dan zullen er nog genoeg menschen zijn, die hem koopen, omdat hij zoo goedkoop is. Doch het groote publiek behoort te weten wat het koopt en het moet niet in den waan verkeeren Nederlandschen honing te nuttigen, terwijl hetgeen zij in werkelijkheid gebruiken, buitenlandschen honing is. Ook op dit gebied dient vooral klare wijn te worden geschonken. Ik ben zelfs de meening toegedaan, dat zij onze bijenteelt meer schade berokkenen, dan dit volgens hen door het R.M. wordt gedaan.

En wat die andere soort personen betreft, wanneer die niet wenschen toe te treden, dan moeten zij de gevolgen er zelf maar van ondervinden. Ook ten aanzien van hen heeft er door het Rijksmerk geen enkele oneerlijkheid plaats, niets toch belet hen om toe te treden en er de groote voordeden van te plukken, want de kosten die er aan verbonden zijn, zijn zoo gering, dat niemand daartegen behoeft op te zien. Op andere keeren wordt wel meer uitgegeven dan wat er nu van hen gevraagd wordt. Geleidelijk zullen ze dan wel tot nader inzicht komen.

In ieder geval, gaarne zien wij een antwoord op onze vragen tegemoet.
W.E. ASBEEK BRUSSE,
lid Ver. Bijenteelt Amersfoort.

Antwoord:
De inzender stelt mij eenige vragen, terwijl hij daarnaast tot mij enkele verwijten richt. Ik begrijp dat met recht, meende te mogen veronderstellen, dat iedereen, die de tot standkoming van het rijksmerk heeft medegemaakt of zich de moeite heeft getroost de geschiedenis der tot standkoming na te gaan, welke bezwaren door mij èn in de vergaderingen van het H.B. en in de Alg. Verg. uitvoerig zijn uiteengezet. Ik zou dan ook nu kunnen volstaan met daarnaar te verwijzen.

Maar nu blijkt dat men mijn bezwaren vergeten is en nu zelfs onze alg. secr. schrijven kan, dat het hem niet bekend is, dat er zijn die het rijksmerk een kras staaltje van oneerlijkheid vinden en nu mij gevraagd wordt dat nog eens te vertellen, nu wil ik dat nog wel eens doen. Al had ik veel liever niet meer over deze zaken in het openbaar geschreven.

Vooraf een enkele opmerking. Ik heb indertijd getracht in het H.B. en op de Alg. Verg. het rijksmerk tegen te houden Maar toen het eenmaal en nog wel met overgroote meerderheid aangenomen was, toen heb ik mij verder angstvallig van elke verdere tegenwerping onthouden, al kan men natuurlijk niet van mij, zelfs niet van mij als lid van het H.B. vergen, dat ik mij zal aansluiten. Wel mocht en mag ik vragen, dat men mijn principieele bezwaren respecteert. En het was voor mij dan ook in hooge mate krenkend, toen onze alg. secr., redacteur van het maandschrift mij ging verwijten, dat bij mislukking van het rijksmerk, ik door mijn niet aansluiting de oneerlijkheid van de honinghandel zoude in de hand werken en ook ik zoude kunnen worden beschouwd als een der doodgravers der Ned. bijenteelt. Dat ging te ver en daartegen kwam ik op. En nu moet de heer Joustra niet beweren mij niet te hebben bedoeld, omdat ik geen honing in den handel breng. Dat blijkt nergens uit zijn eerste artikeltje.

Men houde bij het antwoord, dat ik zal geven op beide vragen wel in het oog, dat ik niet meer kan doen dan mijn persoonlijke op zeer ernstige bestudeering der materie gefundeerde meening verkondigen. Ik maak geenszins aanspraak op onfeilbaarheid, meen evenwel recht te hebben op waardeering mijner argumenten, evenals ik de opinie van de voorstanders respecteer.

Oneerlijk dan vind ik de huidige regeling van het rijksmerk, omdat de consument in de waan wordt gebracht iets extra goeds te krijgen, terwijl de honing welke hem onder rijksmerk wordt geleverd, niets anders is, dan doodgewone Nederlandsche honing, niets slechter maar ook niets beter, dan elke andere honing. Men brengt de consumenten in de waan, 1, dat Ned. honing beter is, dan buitenlandsche en 2 dat Ned. honing onder rijksmerk beter is, dan Ned. honing zonder rijksmerk. Het rijksmerk wordt gebruikt als een prachtige reclame voor het gebruik van Ned. Honing. Ik vind dat een misbruik, daar is het rijksmerk niet voor.

Een der voornaamste bezwaren tegen de huidige regeling is in mijn oogen, dat het rijksmerk in strijd is met de warenwet, waarop het gebaseerd is. Dit is nogal een ingewikkelde questie, waarover ik hier met het oog op de beschikbare ruimte en mijn eigen tijd, kort moet zijn. En ik zal dus maar alleen zeggen, wat de hoofdzaak is dat nl. de warenwet gemaakt is ten bate van den consument, terwijl het bestaande rijksmerk gemaakt is ten bate van den producent.

Als tweede bezwaar zoude ik willen noemen de slechte regeling. Men heeft eenvoudig vrijwel letterlijk overgenomen de regeling van rijksmerk op boter en men heeft daarbij over het hoofd gezien althans het geen bezwaar gevonden, dat het rijksmerk op de boter ingesteld is ten bate van de export en niet gebaseerd is op de warenwet. Men heeft mij wel eens gevraagd of ik dan een betere regeling aan de hand kon doen en ik heb ontkennend geantwoord, maar daarmede wordt onze regeling niet goed.

Het derde bezwaar is de foutieve financieele opzet, waardoor een mislukking, een fiasco onvermijdelijk wordt, tenzij de regeering in den treuren doorgaat met het geven van groote subsidies. Gevolg is, dat onze vereeniging in 1931 f 1000,— heeft moeten bijdragen en 1932 ook wel zal moeten bijspringen. En als de regeering niet reeds f 8000,— had gegeven voor en aleer het Honigcontrôlestation begon te werken, dan was het nu al gedaan met het rijksmerk.

En, hiermede wil ik eindigen, weet de inzender wel, dat indien hij in 1932 rijksmerken koopt en de zaak gaat in 1933 mis, of er wordt in 1933 een tekort gemaakt, dat hij dan, al heeft hij in 1933 geen enkel merk gekocht, zelfs als hij geen aangeslotene meer is in 1933, dat hij dan toch nog aansprakelijk is voor het in 1933 ontstaan tekort, enkel en alleen omdat hij in het jaar te voren merken heeft gehad ?

Nogmaals, ik had liever over al deze zaken gezwegen, men heeft mij er als het ware toe gedwongen. Eventueele nadeelige gevolgen voor het rijksmerk komen niet voor mijn verantwoording.
Mr. EBBINGE WUBBEN.

Volgens den Heer Ebbinge Wubben is het Rijksmerk in strijd met de Warenwet.
In Mei 1929, toen de ontwerp-regeling voor het R.M. nog in behandeling was bij de Commissie ex-art. 17 der Warenwet, zond de Heer Ebbinge Wubben mij toe het afschrift van een door hem tot den Heer de Boer te Enschede gericht schrijven, waarin hij deze meening, uitvoerig geargumenteerd, uiteenzette.
Hoewel de Heer Ebbinge Wubben mij dit niet verzocht, achtte ik het mijn plicht zijn bezwaren tegen het R.M. ter kennis te brengen van den Directeur-Generaal van de Volksgezondheid, één der hoogste ambtenaren van het Departement van Arbeid, Handel en Nijverheid, tot wiens afdeeling o.a. de uitvoering der Warenwet en wat daarmede annex is, behoort.

Genoemde autoriteit deelde mij echter mede dat hij zich met de opvattingen van den Heer Ebbinge Wubben niet vereenigen kon; een afschrift van dezen brief zond ik aan den Heer Ebbinge Wubben. De regeling van het R.M. is bestudeerd door de Commissie ex-art. 17 der Warenwet, door verschillende hooge ambtenaren (juristen) van het Departement van Arbeid, Handel en Nijverheid en heeft tenslotte haar weg naar het Staatsblad gevonden.
Als de Heer Ebbinge Wubben dus beweert dat het R.M. in strijd is met de wet, dient men deze bewering op te vatten als een zuiver persoonlijke meening van den Heer Ebbinge Wubben.

De Heer Ebbinge Wubben zegt dat het R.M. slecht geregeld is en tevens, dat hij niet in staat is een betere regeling te ontwerpen. Ik ben het met hem eens, dat het R.M niet op ideale wijze is geregeld, maar ontken ten stelligste dat de regeling slecht is.
Men moet echter bij het invoeren van een nieuwe instelling noodgedwongen rekening houden met bestaande toestanden en verhoudingen en ook met het inzicht van anderen. En al is de regeling van het R.M. niet ideaal, zij heeft echter in een ongeveer 2-jarige praktijk bewezen bruikbaar te zijn en wij zullen ons er tevreden mee moeten stellen totdat of de bestaande toestanden zich aanmerkelijk gewijzigd hebben of iemand, die opbouwend werk wil leveren, een betere ontwerpt.

Verder noemt de Heer Ebbinge Wubben de financieele opzet foutief; hij verzuimt echter alweer, een betere aan te geven.

Ik vermoed echter dat hij den financieelen opzet in hoofdzaak daarom foutief acht, dat het Rijk subsidie verleent. Deed het Rijk dit niet, dan zou de invoering van het R.M. onmogelijk geweest zijn en had de Heer Ebbinge Wubben zijn zin gekregen.

Behalve de Rijkssubsitie zit hem dwars het bedrag van f 1000.-, dat de Vereeniging voor Bijenteelt in 1931 ter beschikking heeft gesteld van het Honigcontrôlestation, en eventueele nog volgende bedragen.

Wat heeft het H.C.S. met deze ƒ 1000,- gedaan? Het bestuur van het H.C.S. heeft dit bedrag gestort in een reservefonds. Dit fonds bevat momenteel ƒ 1350.-, zijnde ƒ 1000.- van de Vereeniging voor Bijenteelt, ƒ 250.- van den Brabantschen Bond en ƒ 100.- van den Limburgschen Bond.
Het bestuur is van plan dit fonds uitsluitend te gebruiken voor het doel waarvoor het is bestemd, nl. om in een jaar, waarin de gewone geldmiddelen niet toereikend zijn, de aangeslotenen te behoeden voor bijbetaling.

Ten slotte de bezwaren van den Heer Ebbinge Wubben tegen het risico der aangeslotenen. Daar de laatste regels van het onderschrift van den Heer Ebbinge Wubben in feite een waarschuwing aan de aangeslotenen inhouden om in 1932 geen rijksmerken te betrekken, welke maatregel, als zij algemeen werd toegepast, het bestaan van het H.C.S. ernstig in gevaar zou brengen, acht ik het noodzakelijk deze aangelegenheid wat nader te beschouwen.
Ik stel voorop dat de Heer Ebbinge Wubben met mij aanneemt dat wij op redelijke gronden mogen verwachten, dat het jaar 1932 geen tekort voor het H.C.S. zal opleveren.

Art. 8 van de Statuten bevat echter de volgende bepaling: "Indien de kosten der vereeniging niet uit de gewone geldmiddelen kunnen worden bestreden, wordt het tekort over ieder afgeloopen vereenigingsjaar omgeslagen over de aangeslotenen, naar rato van het totaal aantal in het vorige vereenigingsjaar aan ieder aangeslotene verstrekte rijksmerken".

Het is niet geheel duidelijk, wat met de woorden "het vorige" wordt bedoeld. Vatten wij ze, evenals de Heer Ebbinge Wubben, zoo op, dat een tekort over 1933 omgeslagen wordt over de merken, die in 1932 zijn gekocht, dan zou inderdaad het koopen van merken in 1932, met het oog op een tekort in 1933, een zeker risico met zich brengen.
In haar algemeene vergadering van 10 Juli 1931 heeft echter het H.C.S. besloten dat artikel 8 zoodanig te wijzigen, dat de woorden "het vorige" vervangen worden door het woord "dat".
Reeds ongeveer 5 maanden geleden is o.a. op deze wijziging in de Statuten de Koninklijke goedkeuring gevraagd, zoodat wij mogen aannemen dat, als het blijken zou dat 1933 een tekort opleverde, dit tekort niet zal worden omgeslagen over de merken, die in 1932 zijn gekocht.

Wellicht verdient het aanbeveling eens duidelijk aan te geven, welke houding het bestuur van het H.C.S. tegenover het risico der aangeslotenen aanneemt. Ik meen daarover wel het volgende te mogen zeggen: het bestuur is er zich ten volste van bewust, dat het de aangeslotenen geen risico van eenige beteekenis mag laten loopen; zoodra het bestuur, menschelijkerwijs gesproken, voorziet dat er een tekort dreigt, zal het andere, desnoods zeer ingrijpende maatregelen nemen.

Mochten er onder de leden der Ver. v. Bijenteelt nog aangeslotenen of toekomstige aangeslotenen zijn, die in het onderschrift van den Heer Ebbinge Wubben een gevaar zien om in 1932 rijksmerken te betrekken, dan meen ik die leden het volgende te mogen zeggen:
Als het zou blijken dat er over een bepaald jaar een tekort zou zijn en zou het Hoofdbestuur aan de Algemeene Vergadering voorstellen om dit tekort, voor zoover het de leden der Vereeniging betreft, aan te vullen uit de kas der Vereeniging, dan twijfel ik er niet aan of dit voorstel zou in den Heer Ebbinge Wubben een oprecht verdediger vinden.

Ik heb (inzake het rijksmerk) den Heer Ebbinge Wubben leeren kennen als een uiterst loyaal tegenstander, die zich slechts ten doel stelt de belangen der leden van de Vereeniging en van de aangeslotenen naar zijn beste inzichten te behartigen.
A. MINDERHOUD.

Aan den redacteur van het Maandschrift voor Bijenteelt.

Weled. Heer!

Van amateur-imker, die bijen hield ter bevruchtiging van ooftteelt, kwam ik tot studie van de bijenteelt. Met het gevolg dat een rationeele behandeling uitkomsten gaf die het beoefenen van deze liefhebberij nog wel loonend maakte. Hierbij begon het kwijtraken van de (meest blanke) honig uit deze streken een noodzakelijk kwaad te worden. Een euvel dat zich, blijkens ervaring, meer voordoet. Deze questie is voor mij, sinds de aansluiting bij de rijkshonigcontrôle, volkomen opgeheven.

Plaatselijke verkoop in een paar goede winkels, tegen redelijken prijs, maakte dat ik reeds in November '31 aan nabestelling niet meer kon voldoen.
Het publiek wordt blijkbaar door rijkscontrôle geanimeerd een artikel te koopen dat nog in den roep staat van verdachte herkomst te kunnen zijn. Daarom zie ik met verwondering in het Januarinummer uwe propaganda voor het rijksmerk aangevallen door Mr. E.W.
Welke redenen dien heer hiertoe aanleiding geven laat ik onbesrproken, als zijnde mij niet bekend. Mag ik t.z.t. van u of van den heer mr. E. W. eens weten in welk verband de rijkshonigcontrôle "oneerlijk" kan worden genoemd?

Dit is van belang ook voor hen die eventueel bestaande leemten in die contrôle willen opheffen.
Hoogachtend,
D. DE BOER Dz. lid van de afdeeling Heilo, N.H.

U heeft hierboven het antwoord. (Red.)