Maandpraatje.


Op een van de wintervergaderingen klampte mij een imker aan, die mij gaarne eens persoonlijk wilde spreken. Dat spreken bestond uit het betuigen van dank omdat ik hem de oogen geopend had voor zooveel schoons in de natuur. Hij had nog niet veel van zijn liefhebberij terecht gebracht en hij vermoedde, dat als bijen spreken konden, zij een hartig woordje met hem gewisseld zouden hebben. Hoe hij ooit een "bijenvader" zou kunnen worden? Ik klopte hem op den schouder en zeide, dat wat dit betreft het best met hem in orde zou komen. Even later woonde ik eene vergadering bij, waar de secretaris zijn jaarverslag voorlas. Welk een buitengewone liefde voor de bijen sprak uit iedere zin, uit ieder woord, uit iedere letter. Wat moeten de rasechte imkers toch goede menschen zijn, die niettegenstaande het "bedrijf" niet loonend is, steeds met zoo'n groote liefde voor hunne bijtjes bezield zijn. Dan ontving ik een brief van een zeer bekend schrijfster die mij mededeelde, dat zij voor verleden zomer nooit een bij anders dan met leede oogen aangekeken had, doch toen vrienden haar eens een film hadden laten zien van het bijenleven zij het toch jammer vond, dat zulk een schoon leven naast haar bestond, zonder dat zij er in betrokken was. Het bijenleven geeft schoone gedachten, verdringt het minder edele in den mensch en helpt hem zijn levenspad te kiezen.

Inderdaad, dat is het groote gewin, de Hoofddracht van den imker en het grootste indirecte nut, dat de bijen ons bezorgen. Zoo bezien, mag het directe nut klein zijn, mag onze liefhebberij wel iets kosten, want het uurloon is hoog. Maar men houdt geen bijen alléén voor het indirecte nut, en men kan evengoed van beiden profiteeren, zonder schade te doen aan een ervan. Juist door het goed verzorgen, dat is met kennis van zaken verzorgen, spreekt het bijenleven nog beter tot ons en zal èn het indirecte èn het directe nut grooter kunnen zijn.

Laten we ons dit jaar dan ook weer voornemen, om onze bijen zoo goed mogelijk te verzorgen. Laten wij trachten kennis op te doen, 't zij door het bestudeeren van een goed bijenboek 't zij door het nauwkeurig lezen van ons Groentje en andere bladen, 't zij door deel te nemen aan practische lessen, excursies of door standbezoek. Laten de ervaren imkers zich wat meer geven en hun kennis aan de jongeren mededeelen en hen een handje helpen.

Laten de jongeren zich doen leiden door hun ervaren collega en niet meenen, dat zij zelf het beter weten. Als zij wat verder gevorderd zijn, dan komt voor hen ook den tijd, dat zij kunnen en moeten medespreken, doch laten zij in het begin slechts vragen en luisteren.

Wij beoefenen een vak dat gedeeld wordt door velen, doch toch nog een zeer bescheiden plaatsje inneemt in het groote heelal. We leven in een crisistijd, maar deze tijd is voor de imkers niet vreemd. Immers de imkers zitten reeds jaren en jaren in een crisistijd. Slecht honinggewin, moeilijk te verkoopen product hebben al menigmaal den imker tot vertwijfeling gebracht, doch de stoere aard van ieder imker, nooit versagen, volhouden, hopen, aanpakken maakt, dat inplaats van teruggang, vooruitgang te bespeuren is dat de vertwijfeling spoedig plaats maakt voor vertrouwen. En alsof het zijn liefste kinderen geldt, zien we daar een imker in een tijd van armoede voor de bijtjes, haar verzorgen en koesteren.

Heerlijk het bijenleven te kennen, heerlijk zich "imker" te mogen noemen.
JOH. A. JOUSTRA.