Eenige waarnemingen.


Onder de lezers van dit Maandschrift zullen er wellicht enkele zijn, die zich nog iets herinneren van de waarnemingen, die ik eenige jaren geleden publiceerde en die o.a. tot doel hadden na te gaan, hoe lang de vluchten duren van werkbijen, die nektar, stuifmeel of water verzamelen.
De bijen waarmede deze proeven genomen werden, waren afkomstig uit een volk, dat in een kamer voor het raam op een tafeltje stond.

In nevenstaande afbeelding stellen de twee cirkels den rand van den korf voor. Het vlieggat is gesloten en de bijen kunnen den korf alleen verlaten door het vierkante gat B in het blad van de tafel. Van daar kunnen ze door den tunnel C den rand van de tafel bereiken. Deze tunnel mondt uit in een lage galerij DEFG, die aan den bovenkant met glasplaten is afgedekt en die den rand van de tafel verbindt met het raamkozijn K. Door het gat Vg in het kozijn kunnen de bijen uitvliegen. De glasplaten die de galerij aan den bovenkant afsluiten, laten in het midden een opening vrij. Dit gat is overspannen met een aantal draden van dun koord-elastiek SS. Als een bij onder die draden door loopt, kan men deze met de vingers omlaag drukken en die bij eenige oogenblikken gevangen houden. Men heeft dan gelegenheid haar een verfvlek op het borststuk te schilderen, zoodat men haar later gemakkelijk kan herkennen.

Nadat de in den aanvang van dit artikel bedoelde proeven waren beëindigd, heb ik weer ieder jaar een proefvolk in die kamer gehouden en daaraan verschillende waarnemingen verricht. Een paar daarvan wil ik hieronder nader beschrijven.

a. De duur der darrenvluchten.

Bij de bijenmenschen geniet de dar in het algemeen een ongunstige reputatie. De dar is lui, vraatzuchtig, houdt alleen van lekker eten, is een echte Don Juan, enz. enz.; ik heb zelfs het woord darren wel eens als werkwoord hooren gebruiken.
Men komt gemakkelijk tot dit oordeel als men de samenleving der bijen vergelijkt met die van de menschen en als men zich dan een man voorstelt, die zich op overeenkomstige wijze zou gedragen als een dar in een bijenvolk, dan kan inderdaad dit gedrag weinig bewondering wekken. Maar men is geheel op den verkeerden weg als men een directe vergelijking maakt tusschen menschen- en bijenmaatschappij. Wij moeten den dar zien als onderdeel van het bijenvolk, als insekt wiens voornaamste taak het is een jonge koningin te bevruchten. En als we uitsluitend op deze functie letten, zal uit het onderstaande duidelijk blijken, dat de dar geenszins een minderwaardig wezen is.

In het voorjaar van 1931 had ik een korfvolk, dat uit een andere omgeving afkomstig was, op de tafel in de proefkamer geplaatst. Dit volk ontwikkelde zich normaal. Op 12 Juni had het bijna gesloten doppen en jaagde ik er een voorzwerm af. Daar de kunstzwerm in de buurt geplaatst moest worden, zoodat de meeste vliegbijen zouden terugkeeren, jaagde ik den korf vrij sterk. Op 23 Juni vloog er een nazwerm af en 2 dagen later nog eentje.
Den 26sten juni was het zonnig weer, met zwakke N.O.-wind; aan de lucht dreven enkele groote, witte wolken. Er was dracht op korenbloem en ook vlogen er enkele bijen op de witte klaver. Den 24sten juni had ik een aantal darren van een duidelijk merkteeken voorzien. Hiervan vond ik er in den nazwerm van 25 Juni slechts één terug.
Op 26 Juni begon ik mijn waarnemingen om 11.10 uur, bij drukke vlucht van de bijen. De waarneming bestond in het voortdurend bekijken van de galerij en het maken van aanteekeningen, zoodra een gemerkte dar den korf verliet of weer binnen ging. Gedurende het eerste uur kreeg ik geen enkelen dar te zien; de darrenvlucht begon dien dag eerst om ongeveer 12.20 uur. De drukke vlucht der bijen hield aan tot ongeveer kwart voor 4. Toen betrok de lucht en blijkbaar werd het kouder. De vlucht nam zeer sterk af en was om 4.10 uur zoo goed als afgeloopen.
Dien middag maakte ik aanteekeningen van 26 gemerkte darren. Na uitwerking van mijn gegevens bleek me, dat hun gedrag zeer veel overeenkomst vertoont en daarom volsta ik met een overzicht van de aanteekeningen over 5 darren. Hoewel deze in het door mij gebruikte teekenschrift een ander nummer droegen, noem ik ze hier No. 1 tot en met No. 5. (Zie pag. 78.)

Hoewel het gedrag der darren onderling veel overeenkomst vertoont, kwamen er toch ook kleine verschillen aan den dag. Eén verschil komt in bovenstaand overzicht niet voldoende tot uitdrukking en wel het moment, waarop dien dag de eerste uitvlucht van de 26 gemerkte darren begon. Daarom laat ik dat moment hier volgen. De eerste vlucht begon resp. om: 12.23; 12.29; 12.37; 12.37; 12.41; 12.41; 12.42; 12.42; 12.42; 12.44; 12.45; 12.47; 12.48; 12.48; 12.49; 12.49; 12.50; 12.53; 12.55; 12.56; 12.58; 1.10; 1.12; 1.23; 1.38 en 3.17.
Bijna alle proefdarren vertoonden het verschijnsel dat hun eerste vlucht van korter duur was dan de volgende; ook bij de werkbijen kunnen we deze bizonderheid zeer vaak waarnemen. De korte duur van de laatste vluchten der darren op 26 Juni zal wel verklaard kunnen worden uit de toen ongunstiger wordende wordende weersgesteldheid.

Bovenstaande resultaten komen geheel overeen met die, welke ik bij andere proeven over het gedrag der darren kreeg. In het algemeen meen ik het gedrag der darren als volgt te mogen karakteriseeren
1. Op goede vliegdagen begint de darrenvlucht omstreeks het middaguur; op zeer warme dagen echter reeds in den voormiddag.
2. De darren vliegen tot in den avond; op warme dagen vliegen ze zelfs nog heel laat; wie veel met bijen gereisd heeft, zal wel eens gezien hebben dat onder de zeer late thuiskomers zich ook enkele darren bevinden.
3. De duur der darrenvluchten bedraagt ongeveer 25 à 30 minuten; bij warm weer zijn de vluchten het langst. De vlucht der darren is echter veel korter van duur dan die van de werkbijen, die in den zomer nektar en stuifmeel verzamelen.
4. Het verblijf der darren tusschen twee vluchten in de woning duurt slechts kort, n.l. 3 à 4 minuten; de werkbijen vertoeven tusschen twee vluchten meestal 5 à 7 minuten in haar woning.
5. Als de gelegenheid tot vervliegen gering is, keeren alle darren naar hun woning terug, althans wanneer deze in normale omstandigheden verkeert.
Van een luiheid der darren, in den tijd dat ze gelegenheid hebben hunne natuurlijke functie uit te oefenen, blijkt dus niets.


b. Gedrag der koninginnen in een fluitend volk.

Terwijl de hierboven beschreven proeven aan den gang waren, noteerde ik eenige verschijnselen over het gedrag der koninginnen in een gedeeltelijk afgezwermd volk.

Algemeen neemt men aan dat in een afgezwermd volk de eerste rijpe jonge koningin haar cel verlaat en tutend in de kolonie rondloopt, terwijl de jonge moeren, die later rijp worden, kwakend in haar cel blijven zitten. Trekt er nu een nazwerm af, dan voegt zich daarbij de tutende koningin en meestal ook één of meer van de kwakende jonge moeren. Ook als men een kast nakijkt of een korf wat ruw behandelt, kan men dikwijls zien, dat die kwakende koninginnen uit haar cel kruipen. Uit het onderstaande zal echter blijken, dat dit ook wel eens gebeurt als men het fluitende volk volkomen met rust laat.
Het volk dat ik op den 26sten juni in het oog hield, had op 23 en 25 Juni een nazwerm gegeven en in mijn aanteekeningen, die ik dien dag om 11.10 begon te maken, staat letterlijk: "het volk fluit niet meer; gisteren nog heel druk, doch er zijn al 2 nazwermen af".
Toen de waarneming begon, veronderstelde ik dus dat het volk zijn verdere zwermplannen had opgegeven. Ik moet hierbij opmerken, dat het fluiten der jonge koninginnen in het volk in dat stille lokaal zeer duidelijk te hooren was, ook als ik er niet vlak bij stond.
Uit mijn verdere aanteekeningen blijkt nu echter het volgende
11.25. Een jonge moer in den korf fluit.
11.47. Een jonge koningin komt uit den korf in de galerij, loopt daar langzaam, als doelloos, rond. Terwijl deze jonge koningin zich in de galerij bevindt, gaat het tuten in den korf door.
11.52. De jonge koningin uit de galerij gaat weer binnen.
12.38. Een jonge koningin verschijnt in de galerij, loopt daar even rond en gaat weer naar binnen; in den korf hoor ik voortdurend tuten.
12.55. Een doode jonge koningin wordt door eenige bijen uit den korf gesleept.
1.12. Een jonge koningin vertoont zich in de galerij, blijft daar 3 minuten langzaam rondloopen en gaat weer naar binnen; onderwijl hoor ik in den korf voortdurend tuten.
3.29. Een doode jonge koningin wordt naar buiten gesleept; in den korf houdt het getuut aan.
Hoewel bovenstaande waarnemingen slechts bij één volk zijn verricht en het dus mogelijk is, dat we met een uitzondering te doen hebben, lijkt het me toch toe dat we den regel: dat in een fluitend volk slechts één koningin haar cel verlaat, nog wel eens nader mogen controleeren.

c. Een sterk volk door wasmot vernield.

De voorganger van het volk, waarvan ik hierboven het een en ander beschreef, stond in het najaar van 1930 als een goede opzetter op de tafel in de proefkamer. Het was na afloop van de heidedracht een heel mooi afgezwermd volk, met flinken voorraad heidehoning, die niet aangevuld behoefde te worden.
In dien tijd bevonden er zich in het lokaal vrij veel wasmotten, die ik er voor een zeker doel kweekte. Door de openingen tusschen de draden, die de galerij aan den bovenkant gedeeltelijk afsluiten, konden de vlinders van de kleine wasmot gemakkelijk in de galerij en in den korf komen. Een enkele maal zag ik ook een wasmotlarf aan het werk in de hoeken van de galerij, waar een weinig mul lag.
Op een dag in het begin van November kwam ik, nadat ik er eenige dagen niet geweest was, in de proefkamer en zag daar tot mijn schrik het volgende. De heele galerij zat opgepropt met bijen; ongeveer de helft was dood, de rest vertoonde in meerdere of mindere mate nog levensverschijnselen. De bijen waren echter zoo dicht in elkander gekropen, dat de levende zich niet meer verplaatsen konden.
Peinzende over de mogelijke oorzaak van dit verschijnsel, dacht ik allereerst aan verhongering. De bijen waren echter dik; de honingblaas bleek bij de meeste geheel gevuld te zijn en de levende bijen weigerden voedsel op te nemen, als ik ze een druppel honing tegen de tong hield.
De gevulde honingblaas deed denken aan een zwerm, doch het weer was de laatste dagen zoo koud geweest, dat dit, afgezien van het vergevorderde seizoen, zeer onwaarschijnlijk leek.
Ik onderzocht toen een aantal bijen op alle mij bekende ziekteverschijnselen, doch zonder resultaat. Daarom besloot ik de bijen uit de galerij te verwijderen, het vlieggat weer vrij te maken en af te wachten wat er verder gebeuren zou. Het bleek me dat ook de tunnel in het blad van de tafel volgepropt zat met bijen. Al gauw echter kwamen er toen doode bijen te voorschijn, die geheel met honing besmeerd waren. Er moest dus in den korf iets gebeurd zijn, dat tot gevolg had, dat de honing uit de raten op de bodemplank terecht gekomen was. Toen ik dan ook den korf van de tafel nam zag ik het volgende. Op de tafel een hoop geheel door wasmot vernielde raten, stukken honing, doode en levende bijen, grootendeels doortrokken met honing. Boven in den korf zat nog de geheele wintervoorraad in onbeschadigde raten. De wasmot had alle bebroede raat grondig vernield.

Uit het bovenstaande moge blijken dat het kweeken van wasmot, dat ook door vele imkers (hoewel tegen hun zin) wordt toegepast, niet alleen gevaren meebrengt voor uitgebouwde raampjes, zwakke of moerlooze volken, maar dat ook sterke volken er in bizondere omstandigheden het slachtoffer van kunnen worden.

MINDERHOUD.