Bezitten de bijen een herinnering van een tijd?
Forel merkte eens op, toen hij aan zijn ontbijttafel zat, dat meerde bijen kwamen snoepen van zoete confituren, die op de tafel stonden. Na het ontbijt werd de tafel leeg gemaakt, maar toch kwam nu en dan een bij om te zien of er niets te halen was in zijn kamer aanvliegen. Het viel hem nu verder op, dat de bijen iedere morgen tegen zijn ontbijttijd zijn kamer kwamen binnenvliegen (a) Van Buttel-Reepen berichtte, dat op een bloeiend boekweit veld na 11 uur bijna geen bijen meer te zien zijn, komt men dan den volgenden morgen vroeg op dit veld, dan zijn er vele honderden bijen aanwezig, die in den namiddag weer verdwenen zijn. Zelf zag ik op een veldje met bloeiende reigersbek tegen 12 uur vele bijen op de bloemen, ook met stuifmeel, om 13 uur waren alle bijen verdwenen; want na 12 uur verslappen de bloemen, die dien morgen vroeg zich hadden ontplooid. Deze waarnemingen doen vermoeden dat de bijen een herinnering aan tijd bezitten. Ingeborg Beling, daarbij voorgelicht door Prof. v. Frisch die daarvoor ook zijn speciale bijenkast beschikbaar stelde, heeft nu onderzocht in hoeverre het mogelijk was aan te toonen, dat de bijen een herinnering aan tijd bezitten. De resultaten van dit onderzoek komen voor in das Zeitsch. für vergleichende Physiologie van 1929 bl. 259 tot 338.
In het algemeen volgt bij de meeste dieren op een periode van activiteit een periode van rust (slaap) de dagelijksche tijdperioden, bij sommige komen ook periodieke tijdperioden voor, o.a. de voor-en najaarstrek bij vogels. Wij mogen daaruit besluiten, dat er een tijdherinnering bij dieren voorkomt. Is dit nu ook het geval bij de bijen? Voor het onderzoek werd een volk in de kast van Prof. v. Frisch gebracht en in zijn omgeving een schotel met suikerwater neergezet op een bepaald uur, daarna werd de schotel weggenomen en de volgende dagen op denzelfden tijd weer neergezet. De bijen, die op de voederplaats den eersten dag aankwamen werden alle geteekend. Bij controleering bleken de bijen op het aangegeven uur deze voederplaats te bezoeken. Was bijv. om 10 uur de schotel eenige dagen neergezet, dan kwamen tegen 10 uur eenige geteekende bijen aanvliegen naar deze voederplaats. Hieruit volgt, dat de bijen gedresseerd kunnen worden om op een bepaalden tijd een voederplaats te bezoeken. (Wij hebben dat bij ons bezoek aan het instituut Berlin-Dahlem prachtig kunnen zien. Red.) Vervolgens werden deze proeven herhaald voor twee en drie tijden op een dag, daarbij bleek, dat de bijen ook gedresseerd kunnen worden om een voederplaats op twee en drie verschillende tijden van denzelfden dag te bezoeken. Hierbij werd waargenomen, dat het bezoek in de morgen uren steeds het talrijkste was, tusschen 16 en 17.30 uur was het steeds opvallend minder. Storend bij deze proeven was meermalen het weder; op een regendag vlogen de bijen niet uit en er moest steeds rekening gehouden worden met den invloed van den zonnestand. Om den invloed van den zonnestand en het weder uit te schakelen kreeg Beling de beschikking over een groote donkere kamer in het landgoed van Prof. v. Frisch. Op een tafel in deze kamer werd een volk in een kleine kast neergezet niet gesloten vlieggat, in de nabijheid stond op een stuk wit papier een schotel met suiker water. Een krachtig electrisch licht was de lichtbron.
Zoodra het vlieggat geopend werd vlogen talrijke bijen uit, die aanvankelijk allen zich verzamelden om de ballon van het licht. Langzamerhand werden de bijen rustiger, sommige gingen op de tafel zitten en vonden daar het suikerwater en begonnen daarvan wat op te zuigen. Rondvliegen deed geen enkele bij; na gedronken te hebben liepen de bijen steeds terug naar de kast, nimmer vliegende. In deze kamer werden de bijen gedresseerd om tusschen 9 en 12 uur naar de voederplaats te gaan. Na 8 dagen dressuur waren er nog 17 geteekende bijen van de 42 op den eersten dag overgebleven.
Nagegaan is toen ook of de bijen neiging hadden zich 's nachts te gaan voeden. Merkwaardiger wijze werd gevonden, dat hij geopend vlieggat en bij verlichting 's nachts de bijen niet uitgingen. De ongewone toestand waaronder de bijen verkeerden maakte, dat er op den duur vele doode bijen kwamen, zoodat verdere proeven niet genomen zijn. Het voornaamste doel van het onderzoek in de donkere kamer was den invloed van temp., vochtigheid der atmospheer en zonlicht te kunnen uitschakelen als prikkel voor een tijdherinnering, dat was buiten in de vrije natuur niet mogelijk. Kan het gevoel van honger een prikkel zijn? Immers zoodra de maag gaat jeuken is het etenstijd. Waarschijnlijk is dit niet omdat er in den stok bijna altijd voedsel in voorraad is. De vraag waardoor bij de bijen de tijdherinnering ontstaat is evenmin te beantwoorden als de vraag waarom vogels in voor- en najaar gaan trekken. Uit een biologisch oogpunt is de eigenschap der bijen onmiddellijk de tijdherinnering van een plaats waar voedsel werd gevonden vast te houden van practisch belang. Dolgova vond dat de bloemen op denzelfden tijd van iederen dag (natuurlijk bij gunstig weer) een maximaal bezoek van bijen of andere insecten hebben, dit houdt natuurlijk verband met den tijd waarop de nectarafscheiding der planten het overvloedigste is. Gedurende 3 jaar werd liet bezoek van bijen per vierk. M. en uursgewijze op meerdere dagen nagegaan en opgeteekend. Zoo vond hij, dat het bezoek van bijen was van Phacelia, van 7 tot 9 en na 17 uur zwak, van 9 tot 11 en van 15 tot 17 uur goed, van 11 tot 15 uur zeer talrijk.
Paardenbloem. Na 9 uur wordt het bezoek zeer talrijk, om 11 uur wordt het goed, na 13 uur zijn er geen bijen meer op de bloemen.
Slangenkruid. Om 7 uur zijn er reeds vele bijen op de bloemen en eerst na 19 uur gaat het bezoek afnemen, het talrijkste was het bezoek tusschen 13 en 15 uur. Zelf zag ik van 7 uur tot 's avonds 19 uur altijd bijen op de bloemen van de Amerikaansche braam in mijn tuin enz. Wij mogen dan ook wel aannemen dat de bijen een herinnering behouden van den tijd waar bloemen overvloedig nectar gaan afscheiden, hiernaar regelen zij naar uitvluchten. Zelf kunnen wij zien hoe op een dag de vliegrichting, waarin de meeste bijen de stok verlaten, meermalen kan veranderen. Is er slechts één bijenweide (b.v. de heide), dan blijft de vliegrichting van 's morgens tot 's avonds laat constant in één richting (Augustus 1926 van een volk achtergebleven in het Bijenhuis). Een overzicht van
de boven aangegeven onderzoekingen vond ik nog in geen enkel tijdschrift, daarom maakte ik er een kort verslag van.
L.J. VAN RHIJN.