Wereldnieuws


Het beslissende oogenblik. (Leipziger Bienen-Zeitung 1932 nr 1.)
Dr. Karl-Heinz Kikisch te Berlijn, verslaggever van het Rijkscomité voor bijenteelt geeft een uitvoerige beschouwing over den toestand der Duitsche bijenteelt en zegt o.a.: dat waar thans ieder volk zijn eigen producten beschermt, zelfs Engeland, ook voor Duitschland "het beslissende oogenblik" gekomen is. Het beslissende oogenblik, waarop de kooper uit overleg en overtuiging Duitsche waren koopt.
Wij Nederlandsche imkers hebben nu een mooie kans en een tijd als nooit te voren, om op te komen voor ons eigen product. Het beslissende oogenblik is ook voor ons aangebroken, als wij nu de kansen maar willen grijpen. Het zal zijn nu of . . . . nooit! Aansluiting bij het Rijksmerk is thans voor alle imkers een gebiedende eisch en voor declaratiedwang, n.l. het verplichtend stellen van het certificaat "buitenlandsche honing" op het ingevoerde buitenlandsche product, moet m.i. eenparig worden gestreden. Ieder land komt door den nood der tijden voor afzet van eigen producten op en wij? Grijp toch de kansen! Honig met rijksmerk, is de kroon op het werk!

Groot en kleinbedrijf.
(Leipziger-Bienen-Zeitung nr. 1)Dr. G.A. Rösch, die een studiereis naar de Vereenigde Staten heeft gemaakt, om aldaar het grootbedrijf te leeren kennen, deelt hierover een en ander mede en geeft een verklaring, waarom in Amerika voornamelijk het grootbedrijf voorkomt en in Duitschland voornamelijk het kleinbedrijf (zooals ook bij ons).
De Amerikaansche imker weet precies, wat hij voor zijn honing betaald krijgt en het geheele probleem voor hem is: "hoe kan ik voor dezen prijs mijn honing produceeren?" Daar de honingprijs in Amerika zeer laag is, ook voor Amerika veel te laag, moet door den imker de eenvoudigste, goedkoopste en meest tijdsparende methode worden toegepast, om te kunnen bestaan.
Imkeren is een zaak en in een zaak houdt men rekening met geld en vooral met tijd; vandaar dat in de Amerikaansche bijenteelt gebroken is met den stelregel: "waarom toch eenvoudig, als het ook omslachtig gaat!"
De honingoogst aldaar is benijdenswaardig groot. Per volk 100 pond gemiddeld is niets bijzonders, bij 200 pond is men tevreden en spreekt men van een goeden oogst.
De oogst moet geborgen worden en nu gaat alles zoo technisch mogelijk, vooral als men weet, dat er imkers zijn met 1000 volken. Deze volken staan in groepen van 50-80 stuks ongeveer 30 K.M. van huis af. Een auto sleept de zoete last naar huis in het groote honinghuis, waar machinaal ontzegeld wordt. In een machinaal gedreven slinger kunnen ± 45 ramen. Van den slinger komt de honing door een pomp in een klaar- en voorraadsketel. Deze voorraadsketels (tanks) kunnen meer dan 2000 pond honing bevatten. De verkoop geschiedt bij groote partijen in kannen van 60 pond aan de groothandelaren.

Aangezien de imkerijen zich meestal op het platteland bevinden, is de Am. imker op verkoop aan de groothandelaars aangewezen. Deze bepalen den prijs, die zeer laag is. In 1925 bedroeg de prijs aan den groothandel f 0.20-f 0.22½ per pond, heden bedraagt deze slechts f 0.14 p.p. (Suiker kost ± f 0.12½ p.p.) De Am. imker moet dus minstens 4 maal zooveel oogsten alvorens hij den prijs krijgt, dien de Duitsche imker (en Ned. imker) voor 1 pond honing ontvangt. Misschien zoo zegt Dr. Rösch willen reeds daarom de Duitsche imkers (en wij ook) niet omsteken.
De bedrijfskosten van den Amerikaanschen imker zijn wel is waar goedkoop, maar zeker niet 4x goedkooper en in het grootbedrijf door aanschaffing van auto, honinghuis, machinerieën en dure hulpkrachten tijdens den oogst, niettegenstaande eenvoudigheid en technische volmaaktheid zeker niet gering. Wat baten daar de groote honingoogsten, welke oogsten zoo worden benijd, indien de verkoopwaarde zoo gering is en de productiekosten betrekkelijk hoog zijn?
Dr. Rösch besluit het 1ste artikel hierover aldus: "dat het in de Amerikaansche bijenteelt gaat om een zeer kleine winst per pond honing en het dus reeds vanzelf spreekt, dat de Amerikaansche bijenteelt reeds daarom slechts in het grootbedrijf een winst kan geven." Nu komt ook in Amerika daarbij nog het spook van de afzetmoeilijkheid, welk spook ook in Amerika alle bedrijven bedreigt. De honinghandel was steeds een exporthandel en deze wordt bij de verminderde koopkracht, vooral van de Europeesche landen, zeer bedenkelijk.
G. VELDKAMP.