(Vragen te richten tot den heer A. Oonk, Warnsveld).


Vraag 14: Ik heb er altijd veel moeite mee om de bijen in de kleine bevruchtingskastjes van "Graze" te houden. Weet U er misschien raad op om het ontijdige uittrekken van het zwermpje met koningin te verhinderen? H. J. K. te H.
Antwoord: De "Graze kastjes" zijn voor de bevruchting van jonge moeren zeer handig, als men er maar juist mede weet om te gaan. Inderdaad hebben vele imkers er groote moeilijkheden mede om het zwermpje in het kastje te houden. Het kastje moet eerst van stukjes voorbouw worden voorzien en het voederbakje met dik suikerdeeg worden gevuld, zoodat de bijen hierover heen kunnen loopen. Zij mogen er dus niet in kunnen verdrinken. Daarna wordt het kastje voor ongeveer de helft met jonge bijen gevuld. Op deze bijen moet een witte glans liggen. Dit is een teeken, dat zij nog zeer jong zijn en juist die zeer jonge bijen moeten wij hebben. Deze jonge bijen vindt men op broedramen, waarin zich open broed bevindt. Men stoot vrij sterk tegen de broedramen, waardoor de oudere bijen er afvallen en de jonge op de ramen blijven zitten. Deze overblijvende jonge bijen worden dan in een korfje geschud. Heeft men voldoende bijen bijeen, dan wordt het kastje er mede bevolkt. Daarna wordt een jonge, onbevruchte moer van goede afstamming, die wij in kluisjes in voorraad hebben, bij deze bijen gevoegd. Het kastje wordt nu gesloten en een paar dagen op een koele, donkere plaats gezet. In dien tijd worden de raatjes uitgebouwd. De bijen krijgen van onderen lucht door een roostertje. Na twee dagen wordt het kastje 's avonds, als het donker is, buiten geplaatst en het vlieggat geopend. De bijen zullen, als het vlieggat open geschoven wordt, direct naar buiten loopen, doch, daar het donker is, kunnen zij niet wegvliegen en trekken spoedig in het kastje terug. Men moet het kastje altijd op een schaduwrijke plaats neerzetten, want, als de zon langen tijd op het kastje kan schijnen, krijgen de bijen het in die kleine ruimte al spoedig te warm en willen er dan gaarne uittrekken.
Het gaat juist om die bijen, want tusschen pasgeboren bij en vliegbij ligt een periode van 14 dagen. Het andere voorname punt is een schaduwrijke plaats.
Als men op deze twee voorname punten let, zal men plezier van deze kastjes hebben, omdat men er betrekkelijk weinig bijen voor noodig heeft om ze te bevolken.

Vraag 15. Kan ik spoedig weer een koningin in een "Graze kastje" laten bevruchten, als ik er een bevruchte uitgenomen heb? H. J. K. te H.
Antwoord: Zeer zeker. Zoodra U een bevruchte koningin uit het kastje hebt genomen, legt U tusschen de bijen bovenop de latjes direct weer een onbevruchte in een kluisje en daarover het viltdekje, waarna het kastje gesloten wordt. Na een 24 uur, liefst 's avonds, kijkt U eens of de bijen vreedzaam om het kluisje zitten. Is dit het geval, dan laat U de koningin aan et vlieggat inloopen en na eenige mooie dagen zal ook deze moer weer bevrucht zijn.
Op deze manier heb ik wel 5 moeren achtereenvolgens in deze kastjes laten bevruchten, zonder dat de kastjes opnieuw met bijen bevolkt moesten worden. Aan de eitjes, welke de vorige koningin gelegd heeft en het broed behoeft U niets te doen.
Soms kan het gebeuren, dat na 24 uur de bijen nog vijandig om het kluisje zitten. Zij laten een sissend geluid hooren en ballen het kluisje als het ware in. U moet in dit geval de koningin niet loslaten, doch nog een 24 uur langer wachten. In de meeste gevallen echter zullen de bijen de koningin wel goed gezind zijn.

Vraag 16. Zijn kastjes met drie broedramen als bevruchtingskastjes niet te verkiezen boven de "Graze" kastjes?
H. J. K. te H.
Antwoord: In bevruchtigingskasten met drie broedramen heeft men natuurlijk meer bijen noodig, doch men behoeft niet bevreesd te zijn, dat de bijen als de koningin ter bevruchtiging uitvliegt, mede zullen uittrekken zooals vaak bij „Graze" kastjes bij onoordeelkundige behandeling het geval is. Heeft men een bevruchte koningin uit de kast met drie ramen genomen, dan kan men direct weer een jonge onbevruchte in een kluisje tusschen de bijen leggen, als in antwoord op vraag 11 beschreven. Bij de kastjes met drie ramen heeft men dan nog het voordeel, dat later de broedramen kunnen worden verwijderd om er andere kastvolken mede te versterken, of nieuwe kasten te bevolken.

Vraag 17. Ik wensch dezen zomer twee korven bijen af te jagen. Heb dit nooit gedaan. Moet ik dat doen, als er mooie moerdoppen aan zitten ? Ik ben zoo bang, dat die doppen zullen lijden door het kloppen en op den kop staan. En hoe moet ik het zwermen verder verhinderen? R. L. te H.
Antwoord: Men behoeft niet te wachten tot er gesloten moerdoppen zijn, doch kan al vroeger jagen, zoodra er koninginnecellen aanwezig zijn, waarin larfjes liggen. Men jaagt niet bij koud weer, omdat dan de bijen slecht loopen. Ook niet als er sterk gewin is; in dit geval zouden de bijen door den honing besmeurd kunnen worden. De beste tijd van jagen is, als het behoorlijk warm is en dan liefst in ochtenduren.
Om het loopen der bijen te bevorderen kan men gras in stukjes snijden van 2 à 3 c.M. lengte en deze tusschen de raten van den af te jagen korf strooien. Daarop plaatst men dan een jaagkorf of gewonen korf, als men geen jaagkorf bezit en zorgt er voor, dat deze goed op den korf sluit, dien men wil opkloppen, zoodat er geen bijen kunnen ontsnappen. Nadat de vlieggaten van te voren gesloten zijn, worden de korven op elkaar gekramd. De af te jagen korf wordt zóó geplaatst, dat men de ratenvlakken naar zich toegekeerd heeft, waardoor het breken der raten wordt voorkomen.
Nu begint men zachtjes van onder af te kloppen en gaat geleidelijk naar boven. Dit kloppen duurt ca. 10 à 15 minuten. Men kan bij tusschenpoozen wel eens enkele minuten rusten. Na ongeveer 15 minuten neemt men den jaagkorf er af en veegt de bijen, welke onder aan den afgejaagden korf hangen in den jaagkorf. Daarna ziet men of de koningin aanwezig is. Is dit het geval, dan kan men de afgejaagde korf, of kastje overbrengen en op een half uur afstand van huis vervoeren.
Men kan den afgejaagden korf dan op zijn oude standplaats terugzetten. Na eenige dagen luistert men 's avonds eens aan den korf, of er al een moer fluit. Dit is mogelijk, als de zwermplannen reeds vrij ver gevorderd waren. Zoodra dit het geval is, kan men de moerdoppen van onder uitbreken, door de raten van elkander te buigen. Men doekt dan de korf op, stoot hem op den kop eenige malen vrij sterk op den grond, waardoor onvolwassen koninginnen aan het achterlijf worden beschadigd. Nu laat men den korf gedurende den nacht in den bijenstal op zijn kop staan, waardoor de rijpe koninginnen zullen uitloopen. Men verwijdert den volgenden dag in de morgenuren den doek en zet den korf weer op zijn plaats. Op deze wijze zal men het verder zwermen vrij goed kunnen bedwingen. Is de korf broedschoon, hetgeen 21 dagen na het afjagen het geval is, dan kan men het raatwerk inkorten, indien zulks mogelijk is.

Vraag 18. Hebben in onze boomgaarden ca. 60 kastvolken. Doel is uitsluitend bestuiving van bessen, pruimen, appels en peren. Willen niet meer vermeerderen. Honing is bijzaak. Hoe in groote lijnen te handelen om de bijen met zoo weinig mogelijk kosten zooveel mogelijk aan bovengenoemd doel te doen beantwoorden. Hebben hier geen heidedracht, wel veel witte klaver. L. W. van N. en Zn. te St.
Antwoord: Omdat U de hei niet bezoekt, moet U de bijen in Augustus eenige weken speculatief voeren om met vele jonge bijen den winter in te kunnen gaan. In de tweede helft van Sept. kunt U dan met groote porties de najaarsvoedering beginnen. Einde Maart, begin April kunt U dan weer met kleine hoeveelheden speculatief gaan voeren, totdat de bessen beginnen te bloeien. Is er geen dracht tijdens den bloei, dan toch langzaam blijven doorvoeren. In Uw geval zoudt U kunnen omhangen, zoodra de bijen hieraan behoefte hebben. U hebt dan minder met de zwermen te doen. U zult echter de koninginnen om de drie jaar eens moeten verwisselen, als zij in dien tijd niet gezwermd hebben, omdat zij anders te oud worden, als U geregeld de omhangmethode toepast. Door de omhangmethode krijgt U zeer sterke volken, die bij gunstig weer veel honing van de witte klaver zouden kunnen halen.

Vraag 19.
Hoe kan men was, dat donker van kleur is, weer blank krijgen? J. J. te D.
Antwoord. U moet raat of was nooit in ijzeren potten opsmelten. Hierdoor wordt het was donker van kleur. U moet steeds geëmailleerde potten of koperen ketels gebruiken. Om donkere was weer licht van kleur te krijgen, doet men in het water een weinig zwavelzuur (bij den drogist verkrijgbaar), brengt dit water aan den kook en smelt hierin het was op.

Vraag 20. Ik woon op zandgrond. Deze grenst ten Noorden aan lagen veenachtigen grond. Deze laag veengrond is in cultuur gebracht door de werkverschaffing en bezaaid met witte- en Zweedsche bastaardklaver. Deze klaver ligt te ver af om door mijn bijen nog bevlogen te kunnen worden. Wilde de bijen er heen brengen, doch eerst vernemen of de klaver op dezen laagveenachtigen grond voor de bijen van evenveel waarde is, als op zandgrond. Vorig jaar bloeide de klaver er prachtig, terwijl hier in de buurt niet veel klaver is. Ik kan er de bijenvolken per vaartuig
heen brengen. Dan zijn zij ongeveer 1½ uur onderweg. Dit is een omweg. In rechte lijn is de afstand ca. een uur gaans. H. R. te V.
Antwoord. In uw geval zou ik er een proef medenerven. Het komt mij voor, dat de klaver op dezen grond meer honing zal geven, dan op zandgrond en temeer omdat er bij U in de buurt niet veel klaver is. Laat U het resultaat te zijner tijd eens weten.

Vraag 21. Een collega-imker klaagde erover, dat hij den vorigen zomer zooveel dunnen honing had, zooveel in kasten als korven. Wat kan daarvan de oorzaak zijn ? Ik heb hem gevraagd naar mogelijk late dracht op spurrie of dergelijke, maar dat was niet het geval. Zou misschien de koude, natte zomer de oorzaak kunnen zijn? G. B. te. N.
Antwoord: Nat of droog weer tijdens een drachtperiode kan wel invloed uitoefenen op de samenstelling van den honing, doch hij behoeft daarom nog niet dun te zijn. Voor zoover mij bekend, is het meestal de schuld van den imker zelf. Men krijgt dunne of onrijpen honing, als men dezen te vroeg slingert. Honing moet eerst behoorlijk ingedikt zijn, hetgeen ca. tien dagen na afloop der dracht het geval is.
Plaatst men honing op een vochtige plaats, dan kan deze, als hij zich in open cellen bevindt, vocht tot zich trekken en na eenigen tijd dun worden. Hij begint dan uit die open cellen te loopen.
Honing moet U altijd op een droge, niet te koude plaats bewaren. Ik heb nog nooit last gehad, dat goed verzegelde honing dun was, of dun werd, wel, dat hij na een zekeren tijd in de cellen begon te versuikeren.

Vraag 22. Mijn plan is om van mijn kast den voorzwerm af te laten komen; de koningin uit te vangen, waarna het volk, dat zich dan moerloos voelt, naar de kast zal terugvliegen. Ook wilde ik den "middenzwerm" eraf laten komen. Daarna de kast grondig nazien en alle zich daarin bevindende moerdoppen verwijderen om dan den zwerm er weer in te werpen. Bestaat er kans, dat deze jonge koningin zich nog weer op zwermen toelegt? Mijn bedoeling is om het volk in de kast te houden. J. A. W. te W.
Antwoord: U zoudt het U nog wat gemakkelijker kunnen maken door de koningin vóór de zwermtijd aanbreekt een vleugel te knippen. U behoeft dan den zwerm niet te scheppen en de koningin niet uit te vangen. Dit geeft U tijdbesparing. Zwermt n.l. het volk, dan valt de koningin op den grond en de zwerm vliegt na eenigen tijd op de kast terug.
U kunt dan de kast op denzelfden- of volgenden dag even nazien; de bijen van de ramen schudden of afvegen en de gesloten moerdoppen wegbreken, doch de open doppen met larfjes laten staan. U hebt dan eenige tijdruimte en behoeft in de eerste dagen niet naar tutende koninginnen te luisteren. Na een dag of tien begint U eens de kast te beluisteren of U nu een koningin hoort tuten. Is dit het geval, dan schudt of veegt U de ramen af en breekt alle doppen weg, want U is er nu zeker van, dat een moer in de kast rondloopt, temeer, als U bij het afschudden der ramen dan ook nog de uitgeloopen moercel vindt. Breekt U 9 dagen na het afkomen van den voorzwerm alle doppen weg, dan kunnen de bijen geen koninginnen meer opkweeken, omdat dan al het broed verzegeld is.
Mochten bij de bevruchting der jonge koningin de bijen mee uitvliegen en in een zwerm gaan hangen, hetgeen nog wel eens plaats heeft, dan schept U dezen zwerm en doet hem 's avonds weer in de kast.
In den regel zal deze jonge koningin zich niet meer op zwermen toeleggen, vooral als de zwermtijd normaal, of wat vertraagd is. In een zeer gunstig voorjaar, als de zwermen reeds begin Mei afkomen, wil een jonge koningin bij overvloedig en langdurig gewin zich nog wel eens op zwermen gaan toeleggen, doch in den regel niet, als men maar zorgdraagt, dat het volk voldoende ruimte ter beschikking heeft.

Vraag 23.
Heb in Drente een vijftal korven met bijen gekocht. Zou deze graag zoo vlug mogelijk thuis hebben. Gelieve mij te willen mededeelen wanneer ik op zijn vroegst om toezending kan verzoeken, zoodat ik de bijen in goede conditie kan ontvangen. Welke wijze van vervoer verdient de aanbeveling en is een speciale verpakking noodig? C.J.Sch. te D. H.
Antwoord: De beste tijd om de bijen te ontvangen, is begin April. Verzending per spoor als bestel- of ijlgoed. U kunt de korven op den kop in een krat vervoeren en ervoor zorg te dragen, dat de korven stevig in het krat worden bevestigd.


De behandeling van aaneengevlogen zwermen en het laten terugvliegen der zwermbijen naar het afgezwermde volk.

Naar aanleiding van mijn antwoord op vraag 8 (Vragenrubriek) Febr. nummer blz. 40) beschrijft de heer H.C. Begheijn te Hulst (Zeeland) zijn steeds met succes gevolgde werkwijze, welke hij verzocht in het (Groentje) te willen opnemen
"Bij het schepeen van een zwerm, hetzij één of twee bij elkaar, dit doet er niets toe, gebruik ik steeds een zwermbakje ter weerszijden met gaas bezet voor luchttoevoer, om een korf met een stukje moerrooster voor het vlieggat om te voorkomen, dat de geschepte zwerm er tegen mijn zin uit zou gaan. Wanneer ik nu het volk op den ouden stok terug wil hebben (twee zwermen hij elkaar, ieder zijn volk terug) ga ik, nadat alles kalm is, den zwerm in een zift werpen op een afstand van 5 à 10 M. en vrije bijen, die weldra naar hoven konen, afvegen tot bijna alle bijen verwijderd zijn. Alle afgeveegde bijen vliegen beslist ieder naar haar oude tehuis. Ten laatste blijven onder in de zift slechts wat darren en een of meer koninginnen over. Deze worden ieder afzonderlijk gevangen en kan men ermede handelen naar goedlinden. Op zoo'n manier is alles ongeveer in een paar uurtjes voor elkaar en beide zwermvolken op hun oude sterkte. Het nazien der volken kan een dag of 4 à 5 later gebeuren, naargelang welke zwerm is afgevlogen." Tot zoover de heer B.
In het door mij beantwoorde geval waren de kastbijen moerloos, omdat de koningin niet kon vliegen en voor de kast viel. Tegelijkertijd kwam er een nazwerm uit een korf, welke bij de kastbijen aanvloog. Na eenigen tijd werd deze zwerm geschept. Er scheen echter geen koningin bij den nazwerm geweest te zijn, omdat de bijen weer uit den korf vlogen en zoowel kast- als korfbijen op den afgezwermden korf wilden terugvliegen. Het terugvliegen van een gecombineerden zwerm naar één afgezwermd volk behoort niet tot de uitzonderingen, doch heb ik wel eens meegemaakt.
Om nu echter te verhinderen, dat de korf, welke den nazwerm gaf, overvuld zou geraken, raadde ik aan den afgezwermden korf weg te nemen en daarvoor een ledigen in de plaats te stellen, omdat ik de bijen weer op de kast wilde hebben. In dit geval behield ik dus alle kastbijen, welke versterkt werden met de nazwermbijen uit den korf. Hoe lastig zou de behandeling geworden zijn, als alle bijen op den afgezwermden korf waren gevlogen.
A. OONK.