Krasse beschuldigingen.


Nog voor één keer waag ik het een plaatsje in het maandschrift te vragen om den heer Minderhoud te kunnen beantwoorden.
En dan wil ik graag beginnen met den heer M. ten zeerste dank te zeggen voor zijn waardeerende woorden aan het slot van zijn artikel. Ik stel het zeer op prijs dat juist hij dat heeft geschreven.
Zooals dhr. M. terecht opmerkt, heb ik alleen mijn eigen persoonlijke meening weergegeven zooals ik trouwens ook al uitdrukkelijk in het Maartno. zelf heb opgemerkt.

Ik heb inderdaad een afschrift van den heer Dir. Gen. van de Volksgezondheid ontvangen en ik heb getracht diens betoog te weerleggen in een brief welken ik daarop zond aan den heer M. Dezen brief van mij heeft de heer M. niet ter kennis gebracht van den heer Dir. Gen.

Dat ik geen betere regeling, ook niet in finantieel opzicht weet te vinden, mag toch stellig niet als een argument voor de huidige regeling worden gebruikt. Al ben ik niet in staat een degelijk huis te bouwen toch kan ik wel zien of een huis bouwvallig is en op instorten staat.
Het vermoeden dat de heer M. uit, dat ik den finantieelen opzet in hoofdzaak daarom foutief acht, dat het rijk subsidie geeft, dit vermoeden van den heer M. is ten eenenmale onjuist. Het zou ook nog al dwaas zijn aan het verleenen van een subsidie dat gevolg te hechten.

Wel heb ik uit de ter mijner beschikking staande gegevens, waaronder ook de subsidies de conclusie getrokken, dat er veel hapert aan den finantieelen opzet. En nu er toch zooveel over geschreven is, is het maar het beste dat ik vertel hoe het met die opzet staat. Iedereen kan dan zelf beoordeelen wie gelijk heeft.
Over de jaren 1928, 29, 30 en 31 heb ik de officieele opgaven van liet H.C.S. (over de jaren 1932 en 1933 kan ik slechts beschikken over een raming, maar een raming, afkomstig van den heer M. zelf)
Over de jaren 1928 tot en niet 1932 heeft het Rijk ter beschikking gesteld f 19000.-. Onze Alg. Verg. heeft over 1931 gegeven f 1000.- en de beide Zuidelijke bonden f 300.-, zoodat de subsidies totaal bedragen f 20300.-, zegge twintig duizend drie honderd gulden. En dit geheele bedrag zal op den laatsten December 1933 volgens de officieele gegevens, en volgens de raming van den heer M. totaal op zijn.

De gewone jaarlijksche uitgaven bedragen plus minus f 7300.-. De gewone jaarlijksche inkomsten worden verkregen uitsluitend door den verkoop der merken, in 1930 f 1446.- (ik verwaarloos de centen) en in 1931 f 1539.-. De heer M. raamt de opbrengst in 1932 op f 2000.- en in 1933 op f 2500.-. Die raming komt mij te hoog voor. Het accres bedroeg in 1931 ruim honderd gulden, ik zie niet in dat men rekening mag houden met een accres van telkens f 500.- in de jaren 1932 en 1933. Maar ik wil dan maar eens aannemen, dat de raming juist is. De entreegelden, welke in 1930 en 1931 samen hebben bedragen f 577.- zijn geen jaarlijksche inkomsten, worden natuurlijk slechts één keer betaald. Wel zijn nog gewone jaarlijksche inkomsten de contributies der drie leden, per jaar f 75.-. Over 1928 zijn die niet betaald, zoodat tot en met 1933 zullen zijn betaald juist drie honderd gulden contributie. De gewone inkomsten tot en met 1933 zullen dus zijn f 1446.-, f 1539.-, f 2000.-, f 2500.- en f 300.- samen dus f 7785.-. Het H.C.S. is begonnen te werken in 1930. In 1928 en 1929 heeft het H.C.S. niets anders gedaan dan subsidie van het Rijk ontvangen. De gewone uitgaven over de jaren 1930 tot en met 1933 zullen zijn plus minus f 29200.-, de gewone inkomsten f 7785.(indien ten minste de raming van den lieer M. juist zal blijken), het totaal der subsidies f 20300.

Op grond van deze cijfers kan ik niet anders zeggen, dan dat de finantieele positie van het H.C.S. mij uiterst bedenkelijk voorkomt. En dan moet men nog bedenken hoe het gaan zal met de gewone inkomsten in eer. slecht honingjaar.
Over het risico der aangeslotenen zal ik maar niets meer zeggen. Iedereen kan dat nu zelf nagaan. Alleen nog dit. Of ik eventueel zal verdedigen een voorstel om de risico der aangeslotenen, leden onzer vereeniging, te doen dragen door onze kas, is niet zoo erg belangrijk. Het is slechts de vraag wat zal de Alg. Verg. doen. Ik weet niet, hoeveel leden onzer vereeniging aangesloten zijn, maar ik vermoed slechts een heel klein percentage. Ik durf de aangesloten leden onzer vereeniging niet te waarborgen, dat onze vereeniging hun risico zal willen dragen.
Mr. EBBINGE WUBBEN.


Naschrift Redactie.
Wij herhalen nog even, hetgeen Dr. Minderhoud in zijn laatste antwoord aan Mr. Ebbinge Wubben mededeelde n.I.
„Het bestuur is er zich ten volste van bewust, dat het de aangeslotenen geen risico van eenige beteekenis mag laten loopen; zoodra het bestuur, menschelijkerwijze gesproken, voorziet, dat er een tekort dreigt, zal het andere, desnoods zeer ingrijpende maatregelen nemen",
Wij wekken derhalve alle imkers, die honing verkoopen, op, zich aan te sluiten bij liet N.H.C.S. en sluiten hiermede de discussies.
red.