
De berichten, die binnenkomen over de ontwikkeling der bijenvolken loopen nog al wat uiteen. Op het „zaad" (koolzaad) hebben de bijen het blijkbaar goed gedaan, op het fruit minder goed en waar weinig of geen bloemen waren was voederen de boodschap.
Het voorjaar van 1932 kan weer tot een van die merkwaardige jaren gerekend worden als wij zoo nu en dan eens te zien krijgen.
Alles later dan gewoonlijk tengevolge Van het gure weer en dan de heele wereld één bloemenzee en nectar in overvloed. Wat deden onze bijtjes haar best en wat zullen de trouwe imkers in hun vuistje gelachen hebben toen zij de diertjes tonrond het vlieggat zagen binnenkomen. En .... wat een gewetenswroeging zullen de imkers hebben, die het systeem laat maar waaien toepassen. Die vinden aan de bijenteelt spoedig niet veel meer aan. Dat zijn de velen, die ieder jaar weer opniew beginnen en steeds in het vroege voorjaar „Bieman-af" worden.
Dat zijn eendagsvlinders. Ik ontmoet ze overal. Onlangs zat ik in den trein mijn bijenkrantje te lezen en tegenover mij een heer, die al spoedig vertelde dat hij óók bieman .... geweest !!! was. Zoo, en nu niet meer? Neen hoor, niets gedaan veel te veel werk en weinig profijt. Toch wel aardig die diertjes en lollig dat zwermen! En er zoomaar ineens vanaf? Nee, niet ineens; het heeft zoowat een jaar of drie geduurd. Ieder jaar een paar dood, van de kou daar kunnen ze toch zoo slecht tegen. Hadden ze voer genoeg? Voer? O ja hoor voer zat; van mijn suiker hield ik zelfs nog over. Zooooo!
Van dezen bijenvriend moest ik spoedig afscheid nemen, daar ik op de plaats van bestemming was aangekomen. Mijn weg voerde mij langs schitterende korenvelden, voor mij daarom zoo schitterend, omdat ik de blauwbloem overal brutaal door het gewas zag gluren. Welk een bijenparadijs. Schitterend weer en blauwbloem in overvloed en bijen .....
Midden tusschen de korenvelden stond een boerderij, geheel in het milde veld weggedoken, bijna niet te zien. Daar moest ik zijn. Het was een van die gemengde bedrijven, veeteelt en landbouw, maar de bijenstand ontbrak natuurlijk. Natuurlijk, want op mijn tochten langs veld en wegen, mocht ik slechts één enkele bijenstand ontdekken. Mijn wrevel maakte spoedig plaats voor opgetogenheid, want in dien stand waren twee jongens bezig een van een jaar of 19 en een ander veel jonger. Blijkbaar wijdde de oudste den jongere in de geheimen van het bijenvolk in, want zij hadden beiden oor en oog voor een volk, dat nog een nazwerm zou geven ....... en zij bemerkten mijne nabijheid niet.
Zoo is het, de ouderen zijn bieman-af, doch een leger van jongeren, dank zij land-en tuinbouwcursussen, dank zij ook lectuur staan gereed om het aloude bijenteeltbedrijf weer te gaan beoefenen en zij hebben er dubbel voordeel van.
Ik fietste tusschen een paar prachtige weilanden door, waar het geurde van de zoete lucht van witte klaver. Had ik daar mijne volken maar staan! Doch slechts een enkel sporadisch bijtje deed zich met volle teugen tegoed aan de heerlijke nectar. Hoeveel kostbare honing gaat daar niet verloren. Hoeveel kapitaal wordt daar niet weggesmeten.
Wij leven in een crisistijd. De boeren klagen steen en been en terecht, doch staan zij wel overal op hun post? Hier lag het geld voor het oprapen, doch het ontbrak aan de geschikte werkkrachten.
Klaver en blauwbloem zij smeeken om bijenbezoek; het is een aanklacht, des te feller, naarmate de economische toestand ongunstiger is.
Vele imkers reizen jaar-in jaar-uit naar de heide, met wisselend succes. Ik heb mij vaak afgevraagd, of zij ook niet verstandig zouden doen de klaver en korenvelden eens te gaan opzoeken, als zij in eigen omgeving het maar schraaltjes hebben. Ik weet zeer goed, dat dit bezwaren met zich brengt, dat men in dien tijd nog met zwermmoeielijkheden zit doch ik weet ook, dat de vindingrijke imker al zooveel moeielijkheden heeft weten op te lossen, dat hij hier ook wel een weg op zal weten. Drachtpauze en honger in de eene streek, overvloedig nectar en weinig of geen bijen in een andere streek en de auto brengt ons in slechts enkele uren dwars dooi ons land!
Hoe kleiner de bijenweide wordt, des te meer zullen de honingbronnen moeten worden opgezocht. Ze zijn er, dus laat de gelegenheid niet voorbij gaan.
JOH.A. JOUSTRA.