
(Vragen te richten aan dhr. A. Oonk, Warnsveld)
Vraag 33.
Kan men ook aan een korf zien, wanneer het volk zwermrijp is en als er een zwerm hangt van welken korf, die afgekomen is ? Ik ben vaak afwezig.
E. W. te L.
Antwoord:
Een korf is zwermrijp, als er moercellen met eitjes of larven in aanwezig zijn. Heeft een volk gezwermd, dan kan men dit veelal op den bodemplank
zien. Vóór de zwermentijd aanbreekt, tilt men de korven eens op en kijkt er onder. Dan is het werk meestal geheel met bijen bezet en onzichtbaar. Is de voor-zwerm afgekomen, dan kan men goed tusschen de raten kijken! De korf is van onder kaal geworden. Hieraan kan men zien, welke korf gezwermd heeft. Bij na-zwermen wordt deze controle weer lastiger. Dan vooral letten op het tuten en ook op volkssterkte. Als de eerste nazwerm eraf is gekomen, kan men dit aan de volkssterkte nog wel zien, bij de latere nazwermen gaat het evenwel moeilijker.
Vraag 34.
In mijn bijenkast zitten veel darren. Kan dat kwaad? Als het kwaad kan, hoe krijg ik ze er uit?
R. F. te H.
Antwoord:
In elke bijenkast komen darren voor. In den lossen bouw echter heeft de imker het in de hand om het aantal darren te beperken, door flinke groote vellen kunstraat in de broedramen aan te brengen, zoodat er weinig gelegenheid is om darrenraat te bouwen. Heeft men goede honigvolken, dan kan men het bouwen van darrenraat bevorderen door kleine kunstraatvellen in te zetten. In den regel echter zal men het darrenwerk zooveel mogelijk beperken.
Het kan geen kwaad, als er veel darren in de kast zitten, doch liever ziet het de imker niet, omdat een groote hoeveelheid darren nogal wat voedsel noodig heeft. U kunt de darren vangen door b.v. een darrenval voor het vlieggat aan te brengen, of als U deze niet hebt de darren één voor één van de ramen te vangen en te dooden. Deze laatste methode houdt in den regel nogal vrij langen tijd op. Het aanwezige darrenbroed kan men dan met een scherp mes koppen. De bijen halen de gekopte darrenlarven uit de cellen en dragen ze naar buiten, waar ze gaarne door de musschen in ontvangst worden genomen om er de jongen mede te voeren. Wenscht men niet veel darren in een bijenkast, dan moet gezorgd worden, dat broedramen met veel grof werk, vervangen worden door broedramen met fijn werk.
Vraag 35.
Hoe moet ik handelen om mijne bijenvolken in kasten tijdens de heidedracht zoo sterk mogelijk te hebben om zooveel mogelijk heihoning te kunnen oogsten ?
A. J. te V.
Antwoord:
Om dit te kunnen, moet men goed met de bijenteelt op de hoogte zijn en reeds eenige jaren met de bijen de heide hebben bezocht, zoodat men eenigszins weet, wat aan zulk een reis vastzit.
In de meeste streken van ons land kan ca. 20 Juli de middenzomerdracht als geëindigd worden beschouwd. De laatste kans is dan de heide, tenminste indien deze niet teveel door langdurige voorafgaande droogte geleden heeft, of het weer tijdens den bloeitijd te slecht is, hetgeen in Augustus zoo dikwijls plaats heeft.
De volken die men naar de hei wenscht te vervoeren, moeten goed in het broed en in het voedsel zitten en bij de meeste imkers ontbreekt hieraan nogal eens wat. En dan is in de meeste gevallen een jonge koningin van dit jaar te verkiezen boven een oudere koningin van vorige jaren. Een koningin, welke dit jaar tijdig bevrucht is, b.v. ca. 15 Juni heeft in den regel een mooi broednest, terwijl de zwermlust veel geringer is, dan de oudere koninginnen. Men moet verder goed letten op den regel van 35 dagen, d.i. de tijd, die verloopt tusschen ei en vliegbij. Als de hei b.v. honingt van 10 Aug. tot 5 Sept., dan zullen eitjes, die de koningin tusschen 5 Juli en 1 Aug. afzet, ons bijen geven, die nog van nut kunnen zijn voor het verzamelen van heihoning.
Vooral op voedsel moet worden gelet, want sterke volken hebben veel noodig en voeren op de hei is in de meeste gevallen, omdat men de volken ver van huis heeft, een zeer lastig werk; ook met het oog op rooverij. Zwakke volken, of die laat in het broed zijn gekomen, houdt men rustig thuis, omdat deze in den regel de kosten van vervoer naar de heide niet waard zijn.
Nu zijn er sommige imkers, die zeer handig te werk gaan en in den regel ook nog wat bijen in korven met vasten bouw houden en deze korven alleen ter versterking der kasten hebben. Zij nemen die korven mee naar de hei. Zijn de kasten op de hei geplaatst, dan zetten ze een paar Meter vóór die kasten op eenigen afstand naast elkaar deze korven. Zijn zoowel kasten, als korven na een tijd lang goed ingevlogen en komt er dan gewin, dat eenigen tijd zal aanhouden, dan worden op een mooien middag, als er reeds eenige dagen gehaald is en er dus veel vliegbijen in het veld zijn, al de korven verwijderd en op eenigen afstand weer in de rij geplaatst. Wat gebeurt er nu? Alle vliegbijen uit de korven vinder. haar terugkomst den korf niet meer terug en vliegen dan bij de kasten op, waardoor men zeer sterke kastvolken krijgt, welke in zeer korten tijd bij een goed aanhoudend gewin buitengewoon veel honing kunnen halen. De korfvolken evenwel, hebben een flinke aderlating aan haalbijen ondergaan en zullen ons niet veel aan honing opleveren. Doch de imker, die lossen bouw beoefent, houdt de korven alleen voor versterking en om er in het najaar voerhoning uit te halen. Losse bouw is bij hem hoofdzaak, omdat hij door ervaring weet, dat hieruit een pracht artikel geoogst kan worden, waarvoor zich heiraathoning bijzonder leent en waarbij het product, dat uit korven komt, verre in aantrekkelijkheid ten achter blijft. Daarom offert hij de korven hiervoor gaarne op om dit doel bij een goede dracht kunnen bereiken.
A. OONK