
De vacantietnaand voor velen, geeft vaak aan den imker een zeer werzaam leven. In de allereerste plaats de groote trek naar de heide. Zoo'n heidevaart heb ik steeds de aangenaamste oogenblikken gevonden van het geheelebijenjaar, al gaat het romantische er met het veel betere voertuig, de auto er wel een beetje af.
Nog heel goed herinner ik me, dat wij per schuit (gewestelijk „bok") heidewaarts trokken, zoo bij het krieken van den dageraad of nog wel vroeger en heel mooi moesten praten om zoo vroeg reeds „geschut" te worden, om dan later per boerenwagen verder het veld in te trekken. Of geheele nachtritten van uren ver, onder het zingen van een lustig liedje en het wisselen van kwinkslagen.
Zulke oogenblikken blijven jarenlang in herinnering, terwijl de ook wel voorkomende gure nachten waarin men danig kou kan lijden of doornat worden gewoonlijk vergeten worden. Mij althans zijn alleen de prettige herinneringen onverzwakt bijgebleven.
Zulke vroolijke troepjes kan de natuurvriend, die er op uittrekt, in deze maand herhaaldelijk tegengekomen. Het uitvliegen, het er op uitgaan maakt den mensch tot een geheel ander wezen en de vroolijkheid en opgewektheid, die van zoo’n troepje kampeerders, vacantiegangers e.a. uitgaat slaat over op hen, die zij ontmoeten.
Nog herinner ik mij als de dag van gisteren, dat wij heidewaarts togen vroeg in den morgen. De karrevoerder had ons al een poets gebakken, ten eerste door te laat komen en ten tweede doordat hij plaats nam op een eterniten dak van een Simplex, zoodat de honigkamer onmiddellijk gevuld werd . . . echter niet met de zoo begeerlijke raathonig!
Later zou hij ons nog weer eens een poets bakken, want zijn verklaringen dat we toch wel tijdig zouden aankomen moest hij waar maken en dat deed hij op een onbewaakt oogenblik, toen wij ons even verwijderd hadden. Met een flinken galop liet hij zijn viervoeter over den weg draven, zoodat de bijen op kookpunt stonden en de gevolgen niet uitbleven.
Maar toen we allen nog in goeden luim waren en dit niet onder stoelen of banken staken, ontmoetten we een gezelschap boeren, die al spoedig aangestoken werden door onze vroolijkheid en luidruchtigheid.
Het was van veel belang voor ons, dat het weer goed zou blijven en in Augustus is dat niet iedere dag het geval, zelfs niet eens, als men zich voorneemt een heidevaart te ondernemen. Gewoonlijk hebben de menschen, die dagelijks buiten zijn, zooals ons troepje landbouwers wel eenigen kijk op het weer en we riepen dan ook toe: zou het vandaag goed weer blijven? Zeker heeren, als ik mijn petje op heb is het altijd goed weer. Zeg baas was ons antwoord, houdt dan nog 6 weken je petje op, dan heb je bij ons vrij honig eten. ... en luid lachende vervolgden beiden hun weg, aangestoken door de heerlijke ochtendlucht en het begrijpen van beider humor.
Hoe geheel anders gaat het tegenwoordig, nu auto ons in luttele oogenblikken uren ver wegbrengt in een vaartje waarvoor men vroeger op een examen een dikke nul gekregen zou hebben. Met die snelheid is tevens een stukje romantiek uit het imkersleven verdwenen, doch onze bijtjes varen er wel bij en vermoedelijk zelf ook.
Er op uittrekken . . . .! Wie trekt er tegenwoordig niet op uit!!? Zomers staan de perrons vol met juichende schoolkinderen en wij juichen met hen mede. Touringcars vervoeren duizenden en duizenden dier kinderen naar heide, badplaatsen waar niet heen. Ouden van dagen hebben hun jaarlijksch uitstapje. Zangvereenigingen sportclubs en wat niet al trekt er in den zomer op uit. Men ziet veel van mooie landje en men geniet met volle teugen de heerlijke natuur. Men krijt andere begrippen en voelt zich anders worden, beter, milder, vroolijker.
En zoo hebben wij imkers, die toch allen natuurvrienden zijn, vele gelegenheden om de schepping te bewonderen en van het goede dat er is volop te genieten. Op den bijenstand thuis en in het veld, op excursie en bij andere gelegenheden, doch vooral op onze Imkersdagen! Daar stroomen honderden collega's van allerleirang en stand en beiderlei kunnen tezamen en genieten den vroolijken dag, vereen moeielijkheden en zorg en voelen zich rijk, ondanks de al verder om zich hhengrijpende armoede.
Juist in dezen zwaren tijd, dien ik van velen van zoo nabij ken, is het noodig, dat zij er eens een dagje uitbreken. Dat is geen verkwisting, integendeel, dat geeft weer moed voor dagen, misschien voor weken, wellicht voor maanden. Trekt er dus op uit dien 27en Augustus, als onze bijtjes druk doende zijn de cellen met heerlijke nectar te vullen. Maakt U eens één enkelen dag los van Uw sleurleven. Vormt clubjes en gaat mede! Wien het te zwaar valt de treinkosten te betalen of hun plaatsje in een autobus, die gaat per fiets, maar komen en genieten moet gij!
Eén enkelen dag van gezellig samenzijn; één enkelen dag waarop gij van Uw zorgen ontheven zijt één enkelen dag waarop anderen voor U zorgen en U het leven prettiger maken. Komt dan allen naar Apeldoorn! De tiende Nederlandsche Imkersdag moet het glanspunt worden in onze geschiedenis! Meldt U bijtijds aan! Minimum kosten, maximum genot! Laten wij de Apeldoornsche heeren eens laten zien, dat wij hun werk weten te waardeeren. Op naar de hooge Veluwe, op naar het aloude schoone landschap; niemand teveel, allen welkom. Gij ook ! . . . Juist Gij . . . . !
JOH.A. JOUSTRA.