UIT DE WETENSCHAP VOOR DE PRACTIJK.
Door Dr. G. Goetze, Landsberg.
GROOTERE BIJEN.
Tusschen de uiterlijke lichaamseigenschappen der bij en haar productievermogen bestaat klaarblijkelijk samenhang. Zoo vond bereids de Engelschman Merril in het jaar 1920, dat het volk met de grootste honingopbrengst uit eene familie met gelijke afstamming, den grootsten honingmaag had. Het jaar daarop U leverde het volk met de grootste bijen, die tengevolge van hare grootte de langste tong, het grootste lichaamsgewicht en de grootste honigmaag had, den hoogsten opbrengst.
Als bijkomstigheid bleek, dat het ook de sterkste volken waren, die de krachtigste bijen voortbrachten. In hen huisden wel de beste voorwaarden tot hooger opvoeren van de eigenschappen.
Hoe sterk temperatuur en voedering op die bijengrootte werken, weten wij van den Russischen onderzoeker Mikhailov wel het beste. In goed doordachte proeven toonde hij aan, dat lagere temperaturen en onderbreking der larvenvoedering gedurende de ontwikkelingsweek (larvenperiode van 6 dagen Red.) (dagelijks iedere 2 uur op een half uur) tot merkbare verkleining der bijen voert. Alzoo moeten wij voor mogelijk goede warme bedekking, sterke volken en goede voeding zorgen, waarmede onze volken tot het grootst productievermogen opgevoerd worden.
De betere voeding is nu op een hoogst verrassende wijze te bereiken, n.l. door vergrooting van de cellen der raten. Zeer in het oog vallend hebben de pogingn tot moderniseering der Egyptische bijenteelt dit getoond. De Egyptische bij is zeer veel kleiner dan de Europeesche. De daar wonende bijentelers hebben toch slechts kunstraten met Europeesche cellenindruk ter beschikking. Het gevolg was, dat de bijen soms 50% grooter werden. Geheel gelijke ervaringen werden nu bij Europeesche bijen gemaakt. Mikliailov teelde bijen in darrencellen die een doorsnede van 6,96 m.M. hebben tegen 5 m.M. der normale werkstercellen. Het gewicht dezer bijen nam tot 11,66% toe. Omgekeerd stelde hij vast, dat in de door vaker bebroede enger geworden cellen ook duidelijk zichtbare kleinere werkbijen ontstaan zoodra de cellendoorsnede meer dan 6% kleiner werd.
Om de zaak practisch te controleeren, gaf Lovchinovskaja den bijen kunstraten met een celindruk van 5,58 m.M. doorsnede inplaats van 5,45 m.M. welke met de natuurbouw van het proefras overeenkwam.
Het bleek, dat het volk slechts vergroote cellen hebben moest, waarmede zij willig aangenomen en belegd werden. De „vergroote" volken toonen den 4,8% zwaardere bijen. Nog meer echter nam het bevattingsvermogen der honingblaas toe, n.l. 52,6%! Vanzelfsprekend was ook de opbrengst van deze volken een beduidend hoogere.
De opgaven over de cellendoorsnede schommelen. Klaarblijkelijk bestaat onderscheid tusschen verschillende rassen, meestal heeft men echter ook wel op verschillende manieren gemeten. Het beste is van kant tot kant aan den bodem der cel in de horizontaalas der raat te meten.

Men ziet dus, dat de laatste uitgevoerde vergroote Rietsche pers geëigend schijnt kunstraten tot bekoming van vergroote bijen te maken. Wellicht kan zij met goed gevolg zoowaar nog een iets grootere celindruk hebben, zonder gevaar te loopen darrenbouw te bekomen. Men moet slechts het geheele volk gelijkmatig met de vergroote cellen uitrusten. De op kunstraten der tegenwoordige vergroote pers geboren bijen wogen bij onze proeven rond 4¼°/o meer dan die uit raten met normale kunstraten. De honingblazen zijn beduidend grooter. Opbrengst vaststelling kon nog niet doorgevoerd worden, daar tot nu toe alle volken gemengde ratenbouw hadden.
(Soortgelijke persen levert in het Buitenland (België Red.) óók de fa. Jos. Mees Fils, Herenthals onder den naam Baudoux's Persen)
Litteratuur:
Merril, J. II (1922) Die Beziehung einiger Körpereigenschaften der Biene und ihrer Honigleistung. (Englisch Journ. Econom. Entomology Bd. 15. S. 125-129.
Mikhaüov A.S. (1927) Der Einflus einiger Lebenslagefaktoren auf die Variabilitat der Honigbiene A. f. Bienenk. VIII S. 289-303.
Dezelfde (1927) Die Veranderlichkeit der Biene und die Waben (Russchisch) Opyt-naja Passeka S. 246-250.
Dezelfde (1927) Ueber den zusammenhang zwischen den umfang der Bienenzelle und den umfang des Bienenkörpers und seiner Teile. A.F. Bienenkunde VIII S. 313-321.
Bogdanoff, A. (1929) Die Grosse der Bienenzelle in der Natur und auf Kunst-waben. Bienenz. i. Thnorie u. Praxis Bd. 37 S 360.
Lovchinovskaja M. J. (1630) Die Vergrösserung der Bienen durch Aufzucht in Waben mit vergrösserten Zeilen und die Wirking dieser Vergrösserung auf die Nektarladung der Honigblase. (Russchisch) Opytnaja Passeka S. 314-320. (Nadruk verboden.)