AAN DE VLIEGOPENING.
Dit is de titel van een nieuw boek van Storch uit Slowakije, dat m. i. veel bevat wat minder in andere handboeken te vinden is. Ik wil trachten voor hen die geen Duitsch lezen, er een kort overzicht van te geven. Inderdaad valt er veel waar te nemen aan de vliegopening, vooral als dit gepaard gaat met het zien door een glasvenster in de kasten. Met eenige oefening is het dan mogelijk den toestand van een volk te beoordeelen zonder de kast te opener, en dit is in overeenstemming met den eisch de bijen zoo weinig mogelijk te verontrusten (Prof. Zander).
Het boek behandelt ook de rassenteelt; de ondervinding leerde St., dat invoer van moederbijen voor rasverbetering meestal teleurstelling geeft. Hij zag de beste resultaten van het imkeren met moederbijen van de beste volken van den eigen stand, die zijn gehard tegen het eigen klimaat. St. laat het bijenjaar beginnen met Juli, het komt mij voor, dat de indeeling van Prof. Zander beter is, in Augustus gaan de darren ontbreken en daarmede wordt het volk incompleet, een bewijs, dat een nieuw tijdperk aanbreekt. Het bijenjaar op 1 Januari te laten beginnen heeft geen enkele reden van bestaan, al is dit de gewoonte.
Achtereenvolgens worden de verschillende maanden behandeld en wel in het bijzonder wat moet opvallen aan de vliegopening door zien, ruiken en beluisteren; dit laatste geschiedt soms met een elastieke buis, een imitatie van het beluisteren van de borstholte met een stethoscoop. Daar is niets tegen al lijkt het vreemd. In de hooimaand houdt de moederbij, van de sterkste volken in het voorjaar, een rustpoos van het eieren leggen, bij veel regen kan zij dan tijdelijk zelfs geen eieren leggen.
Weinig actie in dezen tijd aan de vliegopening bewijst, dat dit volk vroeg sterk was. Ziet men veel bijen af-en aanvliegen, de laatste meteen dik achterlijf, of korten tijd uitrusten voor zij naar binnen gaan, zijn er veel bijen die z g. fächlen (bewaaienis de Nederl. naam) dan wijst dit aan, dat er nog veel dracht is en dit volk niet vroeg sterk ontwikkeld was; hier legt de moederbij nog veel eieren. 's Avonds kan men dan een sterke honiglucht waarnemen, die 's morgens weer verdwenen is. Houdt men 's avonds de vingertoppen voor het vlieggat, dan voelt men de uitstrooming van een vochtige warme lucht, 's morgens kan men dan, zoolang het koel is, de neergeslagen waterdruppels van die warme lucht zien. Het bewaaien geschiedt ook in de kast, dit is te zien door het venster en ook te hooren (helaas niet meer door mij), vooral met een elastieke buis. Hierdoor wordt het overtollige water uit de verzamelde honig afgevoerd. De drinkplaats is ook een graadmeter is er veel dracht, dan is deze verlaten, daarentegen bij weinig of geen dracht komen er meer of minder bijen drinken.
Midden in den zomer ziet men soms 's morgens vroeg veel dracht, die steeds minder wordt naarmate de zon hooger komt te staan, de oorzaak daarvan is, dat naarmate door de zonnewarmte de atmospheer droger wordt, ook de nectariën minder nectar gaan afscheiden. Ik meen hierbij te moeten opmerken, dat dit niet voor alle nectariën geldt, de witte klaver geeft het meeste na 11½ uur bij veel zon, de bloempjes van de Reigersbek hoogstens tot 12 uur, omdat iederen dag de bloempjes, die zich om 7 uur gaan opener tegen 12 uur reeds gaan verwelken en daarmede de afscheiding van nectar ophoudt, daar heeft de vochtigheid van bodem of atmospheer geen overwegenden invloed.
Welk weer is voor de dracht het gunstigste? Volgens de aanteekeningen van den Heer A. Oonk (zie Afd. VIII N. 63), waren er in Juli 1931 0—, 1930 0—, 1929 11 1928 10—, 1927 3 dagen met een toename van het gewicht van 1000 of meer gram op één dag, de wind was op deze dagen 5 maal Z Z W.Z.W. en N.O. wind voor ons klimaat gunstig is voor de dracht. Het valt echter niet te ontkennen, dat sommige jaren de aanhoudende Westelijke winden te veel regen en wind geven. Groote warmte met weinig regen is bepaald ongunstig (in 1921 was daardoor in Juli geen enkele bloem meer op het eiland Texel), zelfs een enkele dag groote hitte is nadeelig (eind Augustus eindigde hierdoor plotseling de rijke heidedracht.
De Herfstmaand. Scheiden doet wee! dat gevoelt in dezen tijd ook de Imker bij het gadeslaan van de aftakeling der natuur. Ook het actieve bijenleven neemt af al is er nog al eens voorspel en worden er nog pollen gehaald (vooral de blijvende sierasters geven veel pollen en deze eisenen geen onderhoud), nectar wordt niet veel meer gehaald, bij weging ziet men steeds een afname in het gewicht. Langzamerhand trekt het volk zich terug op 4 ramen, de oudste bijen worden dan niet meer in de broedruimte geduld. Het opvoeren voor den winter moet in September; geëindigd zijn. De sterkte van de suikeroplossing moet 3 suiker op 2 water zijn, omdat meer water een sterkere verdamping van het overtollige water eischt, wat onnoodig meer arbeid aan de bijen geeft. Zoolang er nog pollen worden gehaald is er nog broed.
De voordeeligste oplegging van den wintervoorraad is boven honig, dan suiker, de laatste wordt dan het eerste verbruikt en zij geeft weinig drekstoffen, daarna wordt de honig weggenomen en dan nadert de eerste reinigingsvlucht. Het bezwaar van boven voeren is volgens St., dat dit storend is voor de bijen. Immers het geheele jaar is het voedsel beneden binnen gebracht. Is laat broed wenschelijk? Neen dit eischt meer voedsel, dat beier voor het voorjaar beschikbaar kan blijven. Een enkele goede vliegdag in November is bepaald goed, het geeft den bijen nog eens gelegenheid zich te ontlasten.
Met December treedt de rust in, een onmisbare eisch is ruime luchtverversching, daarvoor wordt aanbevolen een strooien mat, een niet doorlatend kleedje acht St. absoluut verkeerd. In zooverre was de strookorf als winierverblijf een ideaal (een sprookje zou men kunnen zeggen); want daarin was ruime luchtverversching steeds aanwezig. Het zou te veel plaats eischen op deze wijze alle maanden weer te geven, hoofdzaak was aan te toonen, dat men door op meerdere tijden van één dag de verschijnselen van het bijenleven waar te nemen, daardoor in veel gevallen den toestand van de volken beoordeelen. Is dit niet voldoende, dan volgt natuurlijk een inwendig onderzoek. Ik hoorde wel eens zeggen, och die boeken, het is allemaal naschrijverij; ik meen dat dit zeker niet geldt voor dit boek van St. daarom kan ik met een gerust geweten het lezen er van aanbevelen.
Wageningen, Mei 1932.
L.J. VAN RHIJN.
N.B. Op 4 en 5 Juni zag ik veel waterhaalsters, inderdaad was er hier toen ook geen dracht, het gewicht van het waarnemingsvolk liep op deze dagen ook terug; maar op de heide zag ik o.a. eind Augustus 1930 met veel dracht veel bijen drinken aan de Boschbeek. Hoe is dit nu te verklaren?