DE MEIZIEKTE.


Morgenthaler heeft in 1922 de ziekten der volwassen bijen verdeeld in twee groepen; tot de eerste groep behooren de bijen, die het vliegvermogen daarbij verliezen, tot de tweede groep de bijen waarbij het vliegvermogen niet verloren gaat. Deze laatsten verlaten den stok en keeren niet terug, zoodat van haar einde niets bekend is. De eerste blijven bij den stok en kunnen tot haar einde worden waargenomen. Meiziekte is een verlammingsziekte, de symptonen er van zijn: onvermogen om te vliegen, trillen en krampachtige samentrekkingen van de op den grond rondloopende bijen. Zij treedt op in Mei, zelden in April, meestal na sterke afkoeling door veel regen en vooral de jonge bijen worden er door aangetast.

Reeds Dzierzon kende de Meiziekte (zie Bienenzeitung Band 1 1861 Seite 563; als oorzaak gaf hij op het gebruik van onverzegelde honig, die laat in het najaar verzameld was en daardoor niet verzegeld werd), ook Hoffman 1924 en Morgenihaler 1926 meenden dat bedorven honig de Meiziekte deed ontstaan de oude bijen waren daarvoor minder gevoelig dan de jonge bijen. Dr. Rösch 1927 onderzocht ook de Meiziekte en vond door de bijen te teekenen, dat de aangetaste bijen van 3 tot 10 dagen oud waren, daardoor is het verschil in leeftijd dat vroegere schrijvers opgaven vervallen; want Dzierzon 1654, Vogel 1866, Berlepsch 1867, Dohnhoff 1855 gaven op 6 dagen, Fischer 1863, 5-, Böttner 1864, 6-, Schönfeld een dag oud.

De leeftijd van 3 tot 10 dagen geeft aan, dat de broedbijen door de Meiziekte worden aangetast. Zij nemen veel stuifmeel op, omdat zij daaruit de voedselbrij voor het broed moeten vormen. De onverteerbare resten van het stuifmeel hopen zich op in het darmkanaal en dwingen haar tot het houden van een uitvlucht om zich te ontlasten. Deze omstandigheid schijnt als ziekteoorzaak voor de Meiziekte van belang te zijn. Worden bijen aangetast door Meiziekte pathalogisch anatomisch onderzocht, dan ziet men een sterke verwijding van het laatste deel der darmen door ophooping van drekstoffen, die men verstopping zou kunnen noemen.

Hieruit volgt dat voor de pathogenese (ziekteoorzaak) der Meiziekte dit verschijnsel van groot belang is en omdat de broedbijen er vooral door worden aangetast, zullen de volken met veel open broed er het vatbaarste voor zijn. Hilbert zocht reeds in 1874 gebrek aan stuifmeel als vermoedelijke oorzaak der Meiziekte. De broedbijen moeten veel voedselbrei afscheiden en omdat er niet genoeg stuifmeel is, worden zij uitgeput. Hoffman onderzocht (1924) de pollen in de raten van volken, die aangetast waren door Meiziekte en vond toen zuur riekende pollen van de paardenbloem. Merkwaardigerwijze was toen voor het optreden der Meiziekte een nacht met sterke rijp geweest en de volken, die met de vliegopening naar het Noorden gekeerd stonden (waardoor zij later in den morgen uitvlogen), bleven gezond.

De Imker-Kozak berichtte in 1930, dat hij 3 standen had bezocht, twee waren naar het Oosten gekeerd, waarvan een open stond, de tweede was beschut door hoog opgaand hout, de derde stond naar het Zuiden achter een 3 M. hooge wal, zoodat het Oostelijk gedeelte der stand tot 11 uur in de schaduw bleef. De Meiziekte trad sterk op bij den eersten stand, de tweede stand bleef gezond en bij den derden stand was de Meiziekte geringer naarmate de kasten langer in de schaduw waren gebleven. Het vroeg uitvliegen na sterke afkoeling 's nachts schijnt invloed te hebben. Onvermogen om te vliegen komt ook bij andere bijenziekt voor, zooals bij Nosema en Mijtenziekte, maar deze laatste ziekten kunnen ook in andere maanden voorkomen.

Wij moeten ook rekening houden met het sterven der oude bijen in April en Mei. Tjunis toonde aan, dat van 13 tot 17 April 88½%-, van 23 tot 27 April 75%-, van 4 tot 8 Mei 50½%-, en van 14 tot 21 Mei 2,8% oude bijen zijn. In ieder geval is het aangewezen bij sterfte van veel bijen, ook in Mei, de doode bijen te laten onderzoeken in de Rijksseruminrichting te Rotterdam. Een geneesmiddel tegen Meiziekte is niet bekend, misschien is het mogelijk door na koude nachten in Mei de bijen tot 11 uur opgesloten te houden de Meiziekte te voorkomen.


Toevallig komt in een Meinummer een foto voor van een stand aangetast door Meiziekte op de vliegplank liggen de massa doode bijen van twee dagen. Vele bijen, die eind April buiten kwamen duikelden een paar maal en bleven dan dood liggen. Dr. Maurico onderzocht deze doode bijen en vond in het darmkanaal veel opgehoopt stuifmeel van de Dotterbloem. Met zekerheid kon niet worden aangetoond, dat dit de oorzaak der ziekte was, wel was het imkers opgevallen, dat zoodra de kersen gaan bloeien, de bijen de Dotterbloem niet meer bezoeken en dan de Meiziekte ophoudt. Ook in ons land komt de Dotterbloem veel voor in sommige streken, misschien geeft dit aanleiding hierover waarnemingen te verrichten
Mei 1932.
L.J. VAN RHIJN.