ARM . . . EN TOCH RIJK.
De winden bijten, de sterren splijten
den held’ren hemeltrans, 't is nacht en Kerstmis thans!
Ver van al 't stadsgewoel, ligt somber en verlaten, de diep ingesneeuwde heidevlakte. — Het eens zoo purperen veld, waar millioenen bijen hun honingmaag vulden, heeft thans zijn Kersttooi aangetrokken.
De plechtige stilte welke er heerscht, wordt alleen verbroken, door 't nog eenigszins hoorbaar geklepper van het dorpsklokje, en door 't geblaf van een trouwen waker, die opschrikt door eenige in de verte als spookgedaanten voortschrijdende gedaanten, welke sporentrappend, nu en dan een wildvogel voor zich uitjagend, zich Kerkwaarts begeven. — Gindsche schamele hut, waarachter eenige lange rijen bijenkorven, is de woning van imker Tijs. Met eenige heideschapen, wat kleinvee en zijn ruigharigen Keeshond vormen ze zijn bezit. 's Winters is zijn voornaamste werk korven vlechten. Dan leeft hij meestal zooals zijne bijen in halfslaap toestand. Maar tegen Kerstmis ontwaakt hij — met forschen slag heeft hij met de stompe bijl een kerstboom neergeveld en naar zijne woning gesjouwd. Want ook voor Tijs is het feest. — Ja dubbel feest. — Omdat hij weet, dat met Kerstmis de zonnebalans overslaat naar langer daglicht en in zijn droomen ziet hij reeds de eerste eitjes in de cellen. Morgen wordt het licht aan den kerstboom ontstoken, morgen zingen zijn kinderen het "vrede op aarde" en pinkt moeder de vrouw een traan uit haar oog. — Morgen voelt hij zich weer gelukkig. Ga op die eenzame vlakte naar hem toe — wil hem ver van daar in ruil eene prachtwoning geven met al de kostbare weelde. Hij zal hoofdschuddend weigeren neen ... hij is ... arm ... en toch rijk.
C. D.