Wenken voor beginners.


Thans, nu we onder het gouden schijnsel der lampen in de veilige koestering der binnenkamer ons zetten om het laatste artikeltje dezer serie te schrijven gaan onze gedachten als onwillekeurig nog eens langs de verschillende gebeurtenissen van het nu beëindigde bijenjaar. In groote lijnen kunnen we het beleefde "Imkers lief en leed" nog zeer goed voor den geest krijgen, doch om ons te verplaatsen in al onze kleine moeilijkheden van den afgeloopen zomer valt achteraf soms niet mee. Doch een blik in onze aanteekeningen, die we van elk volk hebben bijgehouden, en we zitten er weer middenin.
Wel hem, die dit gedeelte van zijn imkerij, de aanteekeningen dan, goed verzorgd heeft! We kunnen aan de hand daarvan niet alleen de diverse prestaties van onze volken nagaan, doch ook begane fouten controleeren en ons werkplan voor een volgend seizoen opmaken.
Vele beginners meenen, dat men b.v. ten allen tijde de oudste koninginnen moet opruimen en van de jongste voortkweeken. Dit nu mag als regel opgaan in zijn algemeenheid is het onjuist. Wanneer, om iets te noemen, een tweejarige koningin blijkens onze aanteekeningen een zeer mooi gesloten broednest vormt weinig zwermlustig is en het betreffende volk bovendien flink honig haalt, dan mogen we deze gerust nog een jaar aanhouden en er een volgend jaar van voortkweeken. Zoo'n volk is voor dat doel vaak veel geschikter dan een volk met een jonge moer, waarvan de eigenschappen ons nog niet bekend zijn.
In het algemeen letten we terdege op zwermtraagheid, wat meestal samengaat met ijver. U ziet, zoo beschouwd is er uit onze aanteekeningen nog wel wat te leeren.
En thans, waarde beginners, nog een ernstige "wenk"; onze bijen rusten, nu is het ònze tijd om te bouwen. "Bouwen?" zult ge vragen, "wat moeten wij bouwen, bijenstallen, bijenwoningen?" Ja, om mijnentwege, zooveel ge wilt. Maar dat bedoelen wij hiermede niet. Wij moeten bouwen ook en vooral, aan onze organisatie, onze vereeniging, dat is ons aller plicht, van U en van mij. Hoe we dat kunnen? O, op heel vele manieren, quantitatief zoowel als qualitatief. Het eerste door zooveel mogelijk imkervrienden te bewegen zich als lid aan te sluiten, het tweede door het trouw bezoeken van vergaderingen, praatavondjes, cursussen, lezingen, imkersdagen enz. De "kopstukken" in onze vereeniging spannen zich steeds in om de organisatie omhoog te voeren, laten wij hen niet teleurstellen door een passieve houding, niets ontmoedigt tenslotte meer dan de laksheid der leden.
Nu zal menig beginner denken, och, wat kan ik daaraan veranderen, dat is zaak voor de grootere imkers, doch niets is minder waar; iemand met 1 of 2 volken kan als lid onzer vereeniging soms veel verdienstelijker zijn, dan een groote imker, waarvan niet veel uitgaat. We moeten allen samenwerken, zonder uitzondering, hebben we niet een beschamend voorbeeld in onze bijen? Blijft daar de een ook achter opdat de anderen het wel zullen halen? Neen en nogmaals neen, allen de schouders er onder, er is nog veel te doen! Als we allen, ieder op zijn wijze meewerken, dan kunnen we nog veel tot stand brengen, dat tot zegen zal strekken van onze bijenteelt en onze vereeniging!
FINIS.
--------------------