HET UITEINDE VAN EEN INDRINGER.


De grootste van al onze inheemsche vlinders is de Doodshoofdvlinder, Acherontia atropos L., een dier met een vlucht van 100-134 m.M. en een doodskopachtig gevormde vlek op het borststuk, die de naam verklaart.
Van de massa bizonderheden, die van deze vlinder bekend en beschreven zijn, vermeld ik alleen dat het één der vlindersoorten is, die een "trek" ondernemen (Noord-Frankrijk—Nederland) en die daarom hier zijn eitjes afzet op het loof der aardappels, waarop later de schitterend gekleurde reuzegroote rupsen te vinden zijn.
Alleen de vroegst ontwikkelde rupsen leveren weer via de poptoestand vlinders, die hier dan in September rondvliegen. Latere poppen blijven overwinteren in den grond, maar er komt nooit iets van terecht. Ze sterven af door de koude.
Een bizonderheid, waarmee wij imkers te maken krijgen, is het zwak dat de vlinders hebben voor bijenhoning. In jaren en streken dat ze veel voorkomen, wordt meermalen het binnendringen van een vlinder in bevolkte bijenkorven waargenomen en eveneens het weer levend verlaten van deze met een maag vol honing. In ons land wordt er maar weinig melding van gemaakt.
In verband hiermede wordt in Brehm verteld, dat nog nooit een Doodshoofdvlinder zuigend op een bloem werd aangetroffen: ze houden zich daarentegen wel veel op "bloedende" plekken aan boomstammen op. (Korte tong).
Half September j.l. vond een imker, bij het uitbreken van een korf die op de heide in onze omgeving gestaan had, een doode vlinder tusschen de raten. Het dier zat boven het vlieggat op of dichtbij de honingcellen, die zich altijd in de kop van de korf bevinden. Het drama, dat zich heeft afgespeeld, stel ik mij als volgt voor:
De vlinder op zijn avondvlucht (het is een nachtvlinder) herinnerde zich de spreuk van Salomon: Eet honing mijn zoon, want hij is goed, en zoekt een bijenstal op. De sterke honinggeur, die uit de vlieggaten stroomde, stelde zijn verwachtingen niet teleur. De heide prachtig, de honing krachtig. En hij drong binnen, in het volste vertrouwen op zijn dik chitinepantser, liep met 20, 30 woedende bijen aan z'n pels langs de raten omhoog, lachte wat om de afschampende bijensteken, totdat het een bij gelukte zijn angelpunt tusschen twee chitineringen te plaatsen en den indringer te torpedeeren. Zoo kwam het dier met de sombere naam om het leven op de plaats, waar het nieuwe levenskracht dacht op te doen.
Hoe Symbolisch was zijn rugteekening.
In z'n doodstrijd heeft de vlinder waarschijnlijk z'n vleugels wat uitgespreid (als normaal draagt hij ze dakpansgewijs). Misschien ook de pooten gestrekt, en zoo bleef hij tusschen de raten steken. Nu was het letterlijk: Weg met hem! Vreemde voorwerpen worden in de bijenwoning niet geduld.
Toen dit niet in z'n geheel lukte, hebben ze geprobeerd 'm bij stukjes en beetjes af te breken en eruit te transporteeren. Het in mijn bezit gekomen exemplaar is voor bijna honderd procent ontschubd. Alles wat week was, of los zat hebben ze afgeknaagd. Het dier mist een spriet en een poot, terwijl de nek en het achterlijf geheel zijn uitgehold.
Dezelfde imker zag in dien tijd des avonds een vleermuisachtig dier voor z'n korven zweven. Waarschijnlijk een soortgenoot geweest (van dien vlinder natuurlijk).
Soest, W.A. VAN ELMPT.