
(Vragen te richten aan dhr. A. Oonk, Warnsveld)
Vraag 68.
Waarvoor gebruikt men een bijenuitlaat ?
L. N. B. te Dr.
Antwoord: Zoodra de moderne imker honing uit de honingkamer wil oogsten, plaatst hij tusschen broed- en honingkamer een bijenuitlaat. De bijen gaan dan door deze uitlaat van de honing- in de broedkamer, doch kunnen niet weer in de honingkamer terugkeeren. Binnen eenige uren is de honingkamer geheel of bijna geheel vrij van bijen. De voordeelen van een uitlaat zijn: geen steken, geen storingen, geen kans op rooverij, tijdbesparing, enz. kortom, het is een toestel dat op geen modernen bijenstand van eenigen omvang mag ontbreken.
Vraag 69.
Zou 15 pond suiker voor een klein volk voldoende zijn en wanneer moet men dan weer met voeren beginnen?
L. N. B. te Dr.
Antwoord: Voor een klein volk is 15 pond suiker wel voldoende, mits dit volk reeds wat ratenbouw heeft. Voert men een kaal volk op, dan zal deze hoeveelheid niet voldoende zijn. Men moet dit zelf een beetje kunnen schatten. Trouwens van Nov. tot half Maart verbruikt een volk betrekkelijk weinig. Daarna neemt het voedsel-verbruik sterk toe, omdat er meer broed te verzorgen is. Als de mooie dagen in de tweede helft van Maart beginnen te komen, kunt U's avonds na zonsondergang op een vrij warmen dag al weer beginnen te voeren, als dit noodig mocht blijken. Zoo niet, dan laat U de bijen nog eenige weken met rust.
De overige binnengekomen vragen hoop ik in een volgend nummer te beantwoorden.
Vraag 70.
Hoe bewaar ik 't beste ca. half uitgeslingerde heidehoningraten door den winter, welke ik 't liefst in 't voorjaar als drijfvoer wilde gebruiken, daar ik heidehoning voor een wintervolk als gif beschouw.
TH. W. R. te W.
Antwoord: Ik zou deze halfuitgeslingerde raten in blikken bussen of Keulsche potten bewaren; deze goed afsluiten en ze op een droge, vorstvrije plaats zetten b.v. op den zolder.
Vraag 71.
Op welke wijze behandel ik 't gemakkelijkst een zwermrijp korfvolk om 't afkomen van nazwermen tegen te gaan.
TH. W. R. te W.
Antwoord: Men laat de voorzwerm rustig afkomen, welke geschept wordt. U kunt er een afzonderlijk volk van maken, of een zwakke kolonie er mee versterken.
Men beluistert nu geregeld elken avond den korf, door het oor er tegen te drukken, tot U het tuten eener uitgeloopen koningin hoort. Dit is een teeken, dat er een jonge onbevruchte moer aanwezig is. U kunt nu den afgezwermden korf onderhanden nemen door al het darrenbroed weg te snijden en alle moercellen, die U bereiken kunt te vernietigen om ten eerste de overbevolking van darren te verhinderen en ten tweede een kaalzwermen te voorkomen. Alleen uitmuntende honingvolken laat men het darrenbroed behouden.
Nu kan men 's avonds laat den korf opdoeken en 's nachts op zijn kop in den stal zetten, doch alvorens dit te doen, stoot men den korf eenige malen flink met den kop tegen den grond. Hierdoor worden de nog niet volwassen koninginnen aan het achterlijf beschadigd en gaan sterven, terwijl de kwakende uitloopen. Den volgenden morgen zet men den korf weer normaal. Op deze manier kan het nazwermen aanmerkelijk worden tegengehouden.
Dit is één methode, doch er zijn ook nog andere werkwijzen om het nazwermen tegen te gaan n.l. door afjagen en koudzetten.
Vraag 72.
In welke streken van ons land is de heide gewoonlijk honinggevend ? Zoo nauwkeurig mogelijk op te geven voor de verschillende provincies en daarbij de uitgestrektheid van het veld.
J. M. C. K. te R.
Antwoord: De uitgestrekte heidevelden in Nederland vindt men in Drente, in Gelderland op de Veluwe en in Zuid en Oost Noord-Brabant. Verder zijn er o.a. nog heidestreken van beteekenis in het Oosten van Overijsel, in het Oosten der Provincie Utrecht, in „het Gooi" Noord-Holland en in Noord-Limburg.
Als honinggevend worden verschillende velden in Drente genoemd; ook „de Peel" in het Oosten van Noord-Brabant is zeer bekend, alsmede verschillende heidevelden op de Veluwe. Dit wil niet zeggen, dat de heidevelden in andere gedeelten van ons land minder honinggevend zouden zijn, integendeel. De dracht kan over geringe afstanden soms zeer veel uiteenloopen. De uitgestrektheid der heidevelden is mij niet voldoende bekend. Wel heb ik eenige jaren geleden in het „Tijdschrift der Ned. Heide Maatschappij" gelezen, waarin dhr. de Koning te Arnhem een artikel schreef over „Bestrijding van Bosch- en heidebrand op de Veluwe", dat zich op de Veluwe naar schatting 45000 H.A. heide bevond, waarvan in de Gemeente Apeldoorn 12500 H.A., in de gemeente Ermelo 7000 H.A., in Epe 5000 H.A., in Ede 4500 H.A., in Barneveld 3000 H.A., in Oldebroek 2500 H.A. enz. Ook in Drente en Noord-Brabant vindt men nog reusachtige vlakten, niettegenstaande de groote ontginningen der laatste tien jaren.
Verder raad ik U aan de „Practische Imker" Jrg. 1923 uit onze bibliotheek (zie vraag 57) eens aan te vragen. Hierin vindt U op pag. 83 en 92 van de hand van dhr. Joh. A. Joustra een belangrijk artikel over „Nederland als Honingland", waarin verschillende drachtstreken in ons land worden beschreven.
Vraag 73.
Hoeveel bijenvolken kan men per H.A. plaatsen?
J. M. C. K. te R.
Antwoord: Dit is niet zoo gemakkelijk te zeggen en hangt natuurlijk af van de uitgebreidheid van het heideveld en of de hei slecht of goed honingt. In Amerika heeft men streken waar 75 a 100 volken een ruim gewin kunnen vinden; op andere plaatsen is voor 200, 500, ja soms 700 koloniën voldoende te halen, zonder dat het gemiddelde er door lijdt.
Aanbevelenswaardig is het echter niet àl te veel volken bij elkaar te plaatsen, doch deze meer verspreid over de velden te verdeelen b.v. op afstanden van ca. 3 K.M., omdat een bij in een straal van 3 hoogstens 5 K.M, haar voedsel zoekt. Er is hei genoeg en daarom is het zoo jammer en schadelijk, dat soms zoo'n massa volken opeengehoopt staan, terwijl zich eenige K.M. verder eveneens uitgestrekte, mooie heidevelden bevinden, waar geen bijenvolken worden aangetroffen.
Als men bijen naar de heide brengt, moet men hier vooral op letten en opeenhopingen tegengaan, want niet ten onrechte zegt het spreekwoord, dat „vele varkens de spoeling dun maken".
Tegenwoordig met het buitengewone autoverkeer behoeft men waarlijk niet op enkele K.M. te zien. Dit was vroeger heel iets anders, toen het reizen geheel per paard en wagen moest plaats hebben, en men blij was op de plaats van bestemming te zijn.
Vraag 74.
Welke heidevelden gaven dit jaar honing en welke niet?
J. M. C. K. te R.
Antwoord: Zooals in vraag 71 gezegd, kan de oogst op de heidevelden, welke soms dicht bij elkaar liggen, zeer uiteenloopend zijn. Ten eerste moeten er niet àl te veel kolonieën bij elkaar gebracht worden, zulks benadeelt het gewin. Ten tweede moet men zeer sterke volken hebben tijdens dat gewin. Verder moet de weersgesteldheid niet alleen tijdens den bloei meewerken, doch ook voor den bloei hebben medegewerkt, dat de plant tot een goede ontwikkeling kon komen en de grond goed vochtig is. De ligging van den bodem speelt ook een groote rol. In droge zomers zal de lage hei weer beter honingen, dan de hooge. Kortom er zijn vele factoren, waarop men dient te letten. Zeer jonge hei scheidt veel meer honing af, dan oude hei, (bezemheide) en daarom honingt het vaak in Drente goed, omdat er in het voorjaar nogal eens in de veenstreken uitgebreide heibranden voorkomen.
In dezen zomer met zijn prachtige Augustusmaand is over het algemeen het gewin op de hei erg tegengevallen. Volgens de berichten moet de dracht in „de Peel" niet rooskleurig zijn geweest; ook niet op de Veluwe; in Drente moet men echter gunstiger resultaten hebben bereikt.
Dat wil nu niet zeggen, dat in streken waar het over 't algemeen slecht ging, door ieder imker weinig is geoogst. Er komen steeds uitzonderingen voor. Zoo waren er enkele imkers, die volle honingkamers hadden en dit aan een toeval hadden te danken, omreden de bijen vervlogen waren. De volken stonden n.l. op een onbeschutte plaats en nu waren van een imker die 5 kasten had, er 2, welke aan een uithoek stonden, buitengewoon sterk geworden, omdat deze de vliegbijen uit de overige 3 kasten er bij hadden gekregen. Deze 2 kasten hadden de honingkamers geheel volgebouwd, terwijl zich in de overige 3 kasten in de honingkamers geen enkele bij bevond. Zoo'n imker zegt al spoedig, dat zijn volken het op de hei uitstekend hadden gedaan, terwijl zijn collega's met een geringe hoeveelheid in de honingkamers tevreden moesten zijn. Dit is echter een abnormaal geval, dat aan toevallige omstandigheden was toe te schrijven. Wij kunnen er deze leering uittrekken „Tijdens een dracht altijd zeer sterke volken".