DE WEG TOT VLOTTER HONINGVERKOOP.
Inleiding gehouden op den Tienden Nederlandschen Imkersdag te Apeldoorn op Zaterdag 27 Augustus 1932.
Door Joh. A. Joustra, Alg. Secr. Vereen. v. Bijenteelt.
Mijnheer de Voorzitter, Dames en Heeren,
Het onderwerp dat ik voor U zal inleiden, behoort tot een van de belangrijkste dat onze Vereeniging kent en is al zoo oud als onze Vereeniging bestaat en dat is in October reeds 35 jaar. Van de oprichting af - en het mag hier met genoegen geconstateerd worden - heeft de Vereeniging al moeite gedaan, om te trachten den Nederlandschen honig weer een plaatsje op eigen markt te geven en wegen te zoeken om den imker van zijn product af te helpen tegen loonende prijzen.
Vroeger ging het zoo, dat de korfimker in de herfst zijn volken zgn. "levend gewicht" dat zijn de vette korven met bijen en ratenwerk, naar Duitschland verkocht, tenminste voorzoover men daartoe in de gelegenheid was. Soms deed men dat particulier, maar in het algemeen afdeelingswijze. Men maakte in Duitschland betere prijzen en men behoefde zelf den honig niet te bewerken. Twee voordeelen dus. Deze wijze van verkoopen is echter opgehouden, toen na de oorlogsjaren Duitschland den invoer van bijen met of zonder ratenwerk verbood.
Behalve de bovengenoemde wijze van verkoop werden ook de volken in den herfst geslacht en de zgn. ruwe honig aan opkoopers verkocht; soms ook aan zeemerijen al of niet coöperatief, die er in 1902 al waren o.a. te Nietap in Groningen.
Het product werd bewerkt en hoofdzakelijk aan koekbakkers verkocht. Dit was de zgn. pershonig. Tevens verkocht men lekhonig, taphonig (deze naam hoort men tegenwoordig niet meer) en natuurlijk ook raathoning, gewoonlijk tafelhonig genoemd.
De uitkomsten van zeemerijen waren van dien aard, dat men in die dagen meende, dat dit de weg was, om den imkers behoorlijk geld voor hun waren te kunnen laten maken en inderdaad waren die uitkomsten bevredigend, vooral indien men kon beschikken over een goed verkooper.
De losse bouw stond toen nog in de kinderschoenen en de vraag naar en verkoop van slingerhonig was nog niet zoo groot, in ieder geval domineerde de verkoop van het korfproduct.
Door het werken van onze Vereeniging en vooral ook door de lezingen en lessen gegeven door dhr. van Giersbergen, die toen aan onze Vereeniging als leeraar verbonden was, alsmede door middel van het Maandschrift werd de bijenteelt meer intensief beoefend en begon ook de losse bouw aan beteekenis te winnen. Maar met de opkomst van den lossen bouw kwam weer een ander vraagstuk naar voren n.l. waar te blijven met het geheel andere product?
Van ruw verkoopen kon natuurlijk hierbij geen sprake zijn, al oogstten sommige lossebouwimkers nog als uit korven, ja zelfs heden ten dage nog.
In de jaren van 1898 tot 1910 werden verschillende verkoopsmogelijkheden overwogen. Er werd honig geveild o.a. in Noord-Brabant en wel te Vechel, Zeeland en Uden, doch door onderlinge concurrentie en gemis aan samenwerking werd nagenoeg niets of heel weinig verkocht.
Klachten over slechte verkoop bleven en de prijzen waren als de verkoop, nl. ook slecht.
In 1910 pleitte de tegenwoordige professor Sprenger reeds voor het benoemen van eene commissie tot onderzoek om tot een betere honigafzet te komen.
In 1911 wilde dhr. Tukker reeds alle leden deel laten uitmaken van eene groote coöperatie, de producten verkoopen in winkels door het geheele land, in sommige groote plaatsen filialen stichten en groote posten afsluiten met koekfabrieken e.d.
In die dagen liep men erg warm voor coöperatie en ook om te trachten zoo vlot mogelijk den honig van de imkers te slijten, omdat men toen ook begreep, dat indien men de bijenteelt bevorderen wil, men dient te zorgen, dat de imkers hunne producten behoorlijk van den hand kunnen doen.
Het vlotte echter niet best, want eene vergadering op 7 Augustus 1911 te Arnhem gehouden waaraan 7 coöperaties deelnamen had een sober resultaat en er werd geen overeenstemming verkregen.
Een jaar later vergaderde te Nijmegen vervolgens de vereeniging van coöperaties om een regeling te treffen van de op te richten Handelskamer, welke als tusschenpersoon zou dienst doen en zich zou bemoeien met den verkoop van honing. Notaris Kingma te Borculo richtte zich in dat zelfde jaar 1912 met een circulaire tot de afdeelingen om te komen tot één groote coöperatieve zeemerij, terwijl in datzelfde jaar het rapport verscheen van de intusschen benoemde honigcommissie, welk rapport naar mijne meening waardevolle gegevens bezat voor de imkers van toen en ook nog van heden.
In tegenstelling met Notaris Kingma pleitte die commissie voor het oprichten van vele kleine zeemerijen, welke samenwerking zouden zoeken in één Handelskamer, die zou zorgen voor den afzet van de producten.
Deze gedachte heeft veel bekoring. Immers door het oprichten van kleine zeemerijen door het geheele land krijgt men de imkers er toe om plaatselijk door samenwerking een behoorlijk product te maken en eene Handelskamer zorgt verder voor den verkoop, zoodat de imker, die gewoonlijk van handel weinig verstand heeft zich niet heeft te bemoeien met den verkoop van zijn product.
Ik zal U niet vermoeien met al hetgeen er zich in die dagen heeft afgespeeld, doch wel bleek het duidelijk, dat er groote groepen tegenover elkaar stonden. De eene groep wilde de Handelskamer buiten de Vereeniging om laten werken, de andere groep wilde haar een onderdeel van de Vereeniging laten zijn.
Er werd in de A.V. van 1913 tot oprichting van de Handelskamer besloten en deze trok aan het werk, doch al spoedig sprak men van een doodgeboren kindje, gemis aan samenwerking er werden leelijke dingen gezegd enz. Van de plm. 200 afdeelingen waren er in 1914 slechts 30 lid van de Handelskamer en nog 5 zeemerijen. In datzelfde jaar pleit een Noord-Hollandsch Imker voor het houden van markten overal in ons land en vooral veel reclame voor die markten maken daar van het werken van de Handelskamer toch weinig terecht komt.
Het eerste jaarverslag van de Handelskamer vertelt ons, dat er voor f 2262.— aan pershonig verkocht is, doch dat men met slingerhonig geen weg weet.
Zoo sukkelde het verder tot in 1917, dus het midden van den oorlog. Er was voedselgebrek en er kwam meer vraag naar honig, vooral voor de koekbakkerij.
In die dagen kon men van alles wat eetbaar was gebruiken en toen kreeg ook eindelijk onze honig een beurt. Verschillende regeeringsmaatregelen werden genomen, nl. beslag leggen op honigvoorraden ten behoeve van de koekfabrieken, een uitvoerverbod van honig uitgevaardigd en maximum prijs gesteld en tot slot ook honig in de distributie gebracht.
Vanzelfsprekend werd de vraag naar honig groot en daar sommige honig vrijgelaten werd voor binnenlandsch gebruik (o.a. de honing uit lossen bouw) was er behoefte om zoo spoedig mogelijk den imkers inlichtingen te verstrekken. Het Hoofdbestuur van onze Vereeniging stelde toen een inlichtingendienst in waarvoor per lid 15 ct. per jaar werd bijgedragen. De Handelskamer, die geen werk meer deed werd opgeheven en de inlichtingendienst werd wat uitgebreid en in 1918 omgevormd tot wat we nu hebben een afd. Handel. De A.V. in 1918 besloot definitief tot het koopen van ons Vereenigingsgebouw, waarin die afd. Handel zou worden ondergebracht. Deze afdeeling zou tot taak hebben de organisatie van den honinghandel en een centraal punt worden van de inmiddels meer en meer opgerichte zeemerijen.
Het is hier de plaats niet om over de eerste jaren van die handelsafdeeling te spreken, doch de opzet was, dat die afdeeling partijen honig zou verkoopen aan derden tegen eene provisie van 5%, dus voor hare bemoeïngen commissieloon zou genieten, terwijl bovendien honig verhandeld werd aan particulieren, in kleine hoeveelheden.
Het samenroepen door het H.B. van zeemerijen met afd. Handel om tot een behoorlijk samenwerken te komen had geen resultaat, althans er is niets van gebleken.
Na den oorlog, toen de levensmiddelen weer vlotter konden worden verkregen invoer van buitenlandschen honig weer mogelijk was en derhalve de vraag naar het Nederlandsen product weer begon af te nemen, begon ook de roep om een centrale die voor het verkoopen van honig zou zorgen weer luider te worden, men verweet afd. Handel haar passiviteit op dit gebied en mede tengevolge daarvan kwam er eene scheuring in onze Vereeniging.
Het bleek hoe langer hoe meer, dat er werk gemaakt diende te worden van eene verkoopsorganisatie en het was dhr. Beil, die op den Imkersdag te Elst een flink opgezet plan inleidde. Dit plan kon echter geen begin van uitvoering krijgen, omdat het aan de noodige contanten ontbrak. Later diende eene commissie aan het H.B. weer een plan in, doch ook dit kon niet uitgevoerd worden omdat men alle heil verwachtte van een groote verkoopsorganisatie. Men vroeg om centralisatie van den verkoop en de commissie kwam met een voorstel tot decentralisatie
Intusschen had men met de moeilijkheden van vroeger niet meer zoo erg te kampen, daar inmiddels het Honigbesluit was afgekondigd (1925) en men dus vervalschingen beter kon achterhalen en het ook bezwaarlijk ging kunsthonig als honig te verkoopen.
Doch een ander bezwaar om den honig vlot van den handel te doen was de concurrentie van het Buitenlandsch product, dat veel goedkooper bij fabelachtige hoeveelheden werd ingevoerd en door gelijkheid van kleur en smaak en omdat er de noodige ruimte was voor dure reclame en niet het minst omdat het in handen was van goede kooplui, hoe langer hoe meer het Nederlandsch product ging verdringen.
Van welk een invloed deze concurrentie is kan blijken uit de cijfers van invoer, welke mij door het Centraal Bureau van Statistiek welwillend verstrekt zijn. De invoer bedroeg in 1931 niet minder dan 4.398.838 K.G. voor een bedrag van ƒ 1.079.179 en in het eerste half jaar van 1932 2.511.000 K.G. voor een bedrag van ƒ 531.643 (hieronder is een klein % kunsthonig) wat neerkomt op een gemiddelde prijs in 1931 van 24 ct. per K.G. en in 1932 van 21 ct. per K.G.
Houden we daarbij in het oog, dat onze Imkers geen handelaren zijn in den volstrekten zin van het woord, dan behoeft het geen betoog, dat zij hoe langer hoe meer in den knel geraken en het reeds gebleken is, dat de bijenteelt wat het aantal volken betreft, hoe langer hoe meer achteruit gaat.
Onze Vereeniging schrijft in haar naam "bevordering van de bijenteelt" en dit bevorderen zit niet alleen in het bevorderen van de wetenschap doch ook in het doen groeien van de bijenstapel.
Reeds vroeger was men er van doordrongen, dat de bijenteelt alleen staande zou kunnen blijven, indien men het bedrijf loonend zou kunnen maken en het is vandaag nog precies hetzelfde. Doch het bedrijf kan alleen loonend zijn, indien de imker vlot van zijn producten af kan komen tegen redelijke prijzen.
Ge zult U misschien afvragen, waarom ik die heele geschiedenis van vroeger vanaf de eerste dagen van ons Vereenigingsleven heb opgehaald? Dat is om U te laten zien, dat bij de bestuurders zoowel als bij de leden steeds heeft voorgezeten dat een centraal bureau, (of men dat nu Handelskamer of afd. Handel wil noemen doet niets ter zake) voor den afzet dient te zorgen. Maar de ervaringen die men in al die jaren heeft opgedaan, zijn niet zoo heel schitterend en de centrale verkoopsorganisaties konden slechts een klein deeltje van de imkers bedienen, want en dat is het noodlottige, die centrale's zitten zelf met moeilijkheden voor den verkoop. Zij hebben dezelfde moeilijkheden als de imker, terwijl een niet gering gedeelte van den verkoopsprijs moet worden betaald aan provisie, vrachten er winstmarge. Bovendien zoekt zoo'n centrale overal in het land haar honig te verkoopen en komt dus ook in het gebied van den imker, die bij zijn verkoop van die centrale hinder ondervindt.
Naar mijne meening, gezien de feiten van bijna 35 jaar, zullen we het dus niet moeten zoeken in verkoopscentrales, doch zal men moeten trachten in eigen omgeving en dan zooveel mogelijk gezamenlijk, den honing onmiddellijk na den oogst te slijten.
Bij deze pogingen moet getracht worden de kosten tot een minimum te beperken en dat kan, omdat men voor vervoer, provisie enz. weinig of niets behoeft uit te geven
Men heeft mij eens kwalijk genomen, dat ik zeide, dat honig feitelijk een seizoensartikel was, welk men evenals elk seizoensartikel zoo spoedig mogelijk dient te slijten. Op gevaar af, dat men mij dit weer kwalijk zal nemen, herhaal ik dit hier en ik weet zeker, dat het de wensch is van elke vastebouwimker, dat hij zijn honig zoo spoedig mogelijk na het uitbreken kan verkoopen. Welnu, ik geloof, dat dit zeker mogelijk is, indien onze imkers zèlf den hand aan de ploeg slaan. Wij hebben daarvoor eenige zeer goede voorbeelden.
En dan herinner ik U aan den taaien volhardenden arbeid van onzen alom bekender Heer J. Pannekoek uit Eerbeek, die reeds voor 30 jaren begrepen heeft, dat de imker zoo vlot mogelijk van zijn honig afmoet. En dan dien honig niet beschouwen als een opruimingsartikel, doch hem de volle waarde toekennende rechtstreeks van den imker aan den consument leveren.
Reeds voor 30 jaar maakte dhr. Pannekoek reclame voor het oprichten van een honigmarkt en door zijn juist inzicht is het hem gelukt een markt te stichten en wat meer zegt, in stand te houden, die in geheel ons land een goeden naam heeft en waar op een dag soms 1000 tot 2000 pond honig verkocht wordt tegen redelijke prijzen. Van heinde en ver stroomen daar de koopers en koopsters tezamen om zich te voorzien van den pas geoogsten honig. En zoo zijn er meer voorbeelden. Ik noem U Vaassen, waar sedert enkele jaren een honigmarkt gehouden wordt, die ook op goede resultaten kan bogen. Deventer, waar ook in het najaar iedere week vele pondjes honig hun weg vinden, Zutphen, waar de honigmarkten ook een succes bleken te zijn, Zwolle e.a. En wat langer wil ik stilstaan bij de markten, die te Amersfoort en omgeving gehouden worden. Deze markten toch zullen voor ons een basis moeten zijn waarop kan worden voortgewerkt.
Men heeft daar een centrale marktcommissie benoemd, die onder het bestuur van een combinatie van afdeelingen (Ring) overal in den omtrek markten organiseert waar uitsluitend honig verkocht zal mogen worden, die zonder twijfel van Nederlandschen herkomst moet zijn (hierover straks meer) Die centrale commissie doet het voorbereidende werk en zorgt ervoor, dat zoo'n markt niet alleen bij de imkers, doch speciaal bij het publiek bekend is.
Door het verstrekken van inlichtingen aan de groote en plaatselijke Pers, het zenden van communique's, het schrijven van artikeltjes in die bladen over het bijenleven en de waarde van goede honig en van steun aan den Nederlandschen Imker, met het oog op de belangen van de fruit-en zaadteelt, waardoor een goede bijenstapel tevens een Volksbelang is, tracht zij de belangstelling voor die markten bij het publiek aan te kweeken. Men heeft daar begrepen, dat er door het houden van markten in één dag meer verkocht wordt dan anders vaak in maanden en vooral heeft men begrepen, dat om het publiek voor onzen honig te winnen er groote bekendheid aan moet worden gegeven en waar ziet men meer honig bijelkaar, dan op onze georganiseerde honigmarkten?
Aantrekkelijk worden die markten gemaakt door enkele demonstraties, door het werk van de bijen te laten zien
en te verklaren, door het publiek met de meest mogelijke welwillendheid in te lichten en het door een proefje kennis te laten maken met onzen onverheerlijken Nederlandschen honig.
Het groote voordeel dat honigmarkten ons bieden zit in het spoedig kwiteeren van een groote voorraad, de geringe kosten (men behoeft geen 25 of 30% aan winkeliers te betalen) en het publiek ontvangt zijn product onmiddellijk van den Imker. En het merkwaardigste is, dat zulke honigmarkten nog voordeel opleveren voor den winkelier ter plaatse. Zoo is mij bekend, dat door de groote propaganda, die afd. Amersfoort voor haar markt maakte, de plaatselijke winkeliers op dienzelfden dag ook drukker verkochten dan gewoonlijk en zelfs één winkelier reeds den volgenden dag, dus den dag na de markt, wat raathonig betrof, geheel uitverkocht was.
Maar het organiseeren van dergelijke markten stelt hooge eischen aan de oprichters ervan en niet in het minst ook aan de aanvoerders van honig. Wil men ons goede Nederlandsche product inderdaad ingang doen vinden, dan is het noodzakelijk, dat men het product zoo hygiënisch mogelijk oogst en het keurig verpakt en aardig etaleert. Het is opmerkelijk, hoe spoedig het publiek een smaakvolle uitstalling weet te waardeeren en de eigenaar van zoo'n stand zal het terdege aan zijn verkoop kunnen merken.
Daarom zal het noodzakelijk zijn, dat een marktcommissie scherp toeziet en opvoedend te werk gaat en zeer strenge eischen stelt aan de aanvoerders en aan de lokaliteit waarin honig verkocht wordt. Honigmarkten moeten iets aparts zijn, zooals zij dit b.v. in Eerbeek reeds jaren is. Alleen dan zal men publiek kunnen trekken.
Bij velen heeft nog de meening post gevat, dat in hun omgeving zoo'n markt geen reden van bestaan kan hebben. Ik zal niet ontkennen, dat er sommige streken zullen zijn, die voor het organiseeren van honigmarkten minder geschikt zijn, doch dit valt verbazend mede en men behoeft niet speciaal in eigen buurt te blijven. Het zou dan ook verkeerd zijn, om zoo'n plaatselijke markt alleen toegankelijk te stellen voor eigen leden. Hoe meer honig wordt aangevoerd, des te vlotter zal de verkoop zijn en des te grooter indruk zal het publiek mee naar huis nemen.
Honigmarkten hebben nog een ander voordeel, waaraan menig Uwer niet zal denken. Het indirecte voordeel van honigmarkten is, behalve, dat de aandacht van het publiek op honig gevestigd wordt ook nog, dat veel honig uit sommige plaatsen onttrokken wordt, waardoor de verkoopsmogelijkheden van den niet-marktbezoekenden imker grooter worden. En er is nog een ander indirect voordeel n.1. dit, dat de mogelijkheid geschapen wordt tot innig samenwerken en de onderlinge concurrentie tot een minimum wordt beperkt.
Men zal allicht de vraag stellen, of op dergelijke markten alleen slinger- en raathonig kan worden aangevoerd en dus de korfimker toch nog met zijn product blijft zitten of dit voor niet-loonende prijzen van den hand moet doen.
Ik kan hier op antwoorden, dat er op die markten evenzeer plaats zal zijn voor honig uit korven als voor honig uit kasten, mits — en hierop leg ik den nadruk — het korfproduct voor de consumptie geschikt is gemaakt, zooals b.v. dit o.a. op verdienstelijke wijze gebeurt door de coöp. zeemerij te Loppersum. Het mag een tusschenproduct zijn tusschen slinger-en pershonig, het is uitstekende consumptie-honig en ik wil hier een eeresaluut brengen aan de bestuurders van die zeemerij, wien het gelukt is een betere korfproduct te verkrijgen en daardoor de bestaansmogelijkheden van den eenvoudigen korfimker hebben vergroot.
Uit mijne woorden zal het U duidelijk zijn, dames en heeren, dat getracht moet worden zooveel mogelijk al onzen honig voor zoover die daartoe geschikt is, op de markt te brengen in den letterlijken zin van het woord. Indien, naar ik hoop, binnen afzienbaren tijd overal in het land dergelijke markten worden opgericht dan ben ik er zeker van, dat de vraag naar honig grooter zal worden en ook zij, die om de een of andere reden geen honig kunnen aanvoeren, doch wel hebben, dien honig voor betere prijzen aan de marktverkoopers kunnen slijten en zeker vlotter van den hand kunnen doen, dan hun tot heden mogelijk was.
Het zal U tevens duidelijk zijn, dat ik weinig voel voor het oprichten van dure en veel te langzaam werkende centrales. Mogen die voor sommige waren van veel nut zijn, voor honig acht ik ze absoluut verkeerd. Voor honig geldt het wachtwoord vlot en goed van den hand.
Toch zal het wellicht noodig blijken een lichaam te bezitten, dat voeling kan houden met het georganiseerde marktwezen en met de nog op te richten en reeds bestaande zeemerijen. Vooral het oprichten van nieuwe zeemerijen waar de imkers gezamelijk hun gewonnen product kunnen verwerken en ook gezamelijk ter markt brengen lijkt me een onafwendbaren eisch, tevens om te komen tot een marktwaardig product. Dit product zal er heel anders dienen uit te zien dan in vroeger jaren, het zal zich dienen aan te passen aan de eischen van den tijd, het zal een goed figuur dienen te slaan en het komt me voor, dat juist dit product van den korfimker een goede kans kan krijgen.
Een lichaam, dat voeling zou kunnen houden met het georganiseerde marktwezen en met de zeemerijen bezitten we reeds in onze afd. Handel, die zeer zeker wegen zal weten te vinden om den band tusschen de verschillende onderdeeltjes te onderhouden en er voor zal kunnen zorgen, dat inderdaad van een vlotte verkoop sprake kan zijn n.l. door het doorgeven van nog niet verkochte partijen honig aan belanghebbenden. Voor deze werkzaamheden kan zij zich laten betalen naar een vast te stellen tarief. Zoo'n tusschenstation is dáárom ook noodig, omdat het in de practijk zal blijken, dat de verkoop op sommige markten vlotter zal gaan, dan op andere. Zoo zal het kunnen voorkomen, dat men het in een bepaalde plaats noodzakelijk vindt, dat de markt nog eenige weken of maanden moet worden voortgezet, terwijl op de andere plaatsen de markt slechts een of twee dagen zal duren. Dit dient de practijk te leeren. Plaatselijke toestanden spreken natuurlijk een woordje mede.
De Weg tot vlotter honigverkoop, zie ik dus zóó, dat overal plaatselijk honigmarkten worden opgericht, zoo spoedig mogelijk na de dracht en wekelijks zoolang voortgezet, tot het product nagenoeg verkocht is.
Om te komen tot een werkelijk marktwaardig product in streken met hoofdzakelijk korfbouw zullen zeemerijen dienen te worden opgericht die den korfhonig zooveel mogelijk tot goede consumptiehonig dienen te verwerken en eveneens door middel van markten aan het publiek te slijten.
Op deze wijze, mits goed voorbereid en gesteund door intensieve propaganda en reclame kan den honig voor het grootste gedeelte reeds spoedig na den oogst verkocht zijn en, wij hebben het hiervoor reeds gezegd, aangezien de doorsnee imker geen handelaar is en zijn bedrijf slechts als een bijverdienste beschouwt past hem een vlot verkoopen van zijn voorraad wel het best. Er zal dan nog voldoende gelegenheid blijven bestaan voor hen, die gewend zijn het geheele jaar door aan particulieren honig te verkoopen, honigmarkten zullen daarvoor welkome gelegenheden zijn, daar vele connecties worden aangeknoopt.
Er blijft evengoed nog ruimte voor hen, die met honig venten, daar juist door het organiseeren van markten en de ruchtbaarheid welke daaraan gegeven wordt het publiek spoediger geneigd is honig te koopen.
Maar bij het op zoo'n grooten schaal als ik mij voorstel, bekend maken van honig aan het publiek zal het noodzakelijk zijn, om dien honig werkelijk als Nederlandschen aan te bieden en het publiek ook te waarborgen, dat het Nederlandschen honig bekomt.
Zoolang er nog geen declaratiedwang bestaat kan dat alleen door het voeren van het Rijksmerk op honig en ik zou de organisatoren van diverse markten met klem in overweging willen geven geen anderen honig toe te laten, dan die voorzien is van het Rijksmerk. Alleen dit merk geeft waarborg, dat men honig van Nederlandschen herkomst koopt en daarbij, die honig dubbel en dwars gecontroleerd wordt, zelfs ook bedrijfscontrôle wordt uitgeoefend. En er kan geen enkel bezwaar zijn, om dit merk te voeren. De kosten ervan zijn heel gering en komen tenslotte weer terug, 't zij door vlotter verkoop, 't zij door het maken van betere prijzen. Contrôle en vooral Rijkscontrôle geeft vertrouwen en men twijfelt er niet aan, dat waar het Rijksmerk op voorkomt is goed. En vooral in dezen tijd waar tal van huisvrouwen overal trachten de Nederlandsche industrie te steunen door het koopen van Nederlandsche waren, dienen wij het die huisvrouwen gemakkelijk te maken en haar met het Rijksmerk tegemoet te komen. Juist op die markten, waar honderden ponden honig worden aangevoerd kan een groote bekendheid aan het Rijksmerk gegeven worden.
Het koopend publiek prent zich het Rijksmerk in het geheugen, de verkooper dient van inlichting en men brengt dit publiek ertoe, ook als het honig in winkels koopt, het Rijksmerk te verlangen.
Daardoor wordt de winkelier gedwongen zich tijdig te dekken met dergelijke Rijksmerkhonig, omdat hij aan de verlangens van het publiek zal dienen te voldoen wil hij zijn klanten blijven behouden.
Amersfoort heeft laten zien, wat men met goede reclame kan bereiken. Daar werd in minimum van tijd 600 pond honig onder Rijksmerk en dan ook uitsluiterd onder Rijksmerk verkocht, terwijl de prijzen naar mijne meening nogal aan de vrij hoogen kant waren.
Kort daarop heeft Zeist laten zien, dat de reclame te Amersfoort aangevangen zich verder uitstrekte, dan Amersfoort alleen, want ook in die plaats had het oprichten van een markt waar uitsluitend honig verkocht werd onder het Rijksmerk een niet minder succes en ik wil nu nog maar zwijgen van de groote hoeveelheden honig onder Rijksmerk, die daarna door aanvoerders aan het publiek werden gesleten en ook, hoe verschillende winkeliers zich inspanden, om het publiek honig met Rijksmerk te verkoopen.
Honig is feitelijk een seizoensartikel zeide ik straks en de doorsnee imker beschouwt hem ook als zoodanig. Dat blijkt uit de wijze waarop de korfimker tracht zijn honig te verkoopen, n.1. aan opkoopers of aan zeemerijen.
Er is m.i. geen enkele reden om te trachten den verkoop van dit product te rekken tot weer een nieuwe oogst aangebroken is. Het gaat er bij den Nederlandschen imker slechts om, om zijn voorraad zoo spoedig mogelijk te verkoopen tegen een loonenden prijs. De Nederlandsche imker kan men niet vergelijken met een honighandelaar, die er zijn beroep van maakt het geheele jaar door te leveren en zich daarom ook van het buitenlandsch product dient te voorzien. De Nederlandsche imker verkoopt zijn overschot aan honig en hoe eerder hij dit overschot kwijt is, hoe liever hem dit is.
Resumeerende kom ik tot de volgende conclusie?
1e. De Nederlandsche Imker is geen honighandelaar, doch hij kwiteert zijn overschot.
2e. Hij zal voor zijn product betere prijzen kunnen maken, indien hij al zijn honig die daartoe geschikt is, verwerkt tot een goed consumptieartikel.
3e. Hij zal zich niet langer blind moeten blijven staren op het vormen van een groote honigcentrale waaraan hij al zijn honig kan slijten, doch zelf in eigen omgeving met zijn mede-imkers markten organiseeren waarop slechts honig toegankelijk is voorzien van het Rijksmerk.
4e. Om te komen tot een marktwaardig product zullen vooral in streken met korfteelt kleine zeemerijen dienen worden opgericht, welke uitsluitend honig dienen te verkoopen onder het Rijksmerk, op markten en b.v. door venten aan particulieren zooveel mogelijk in eigen omgeving.
Op deze wijze gewerkt, komt het mij voor, dat wij het publiek voor ons eigen product kunmen winnen, dat de vraag naar Nederlandschen honig grooter wordt en dat wij kunnen bereiken, wat wij allen zoo gaarne willen, een vlotter verkoop van onzen honig.
Mijnheer de Voorzitter, Dames en Heeren ik heb gezegd.