OVER DE AANWEZIGHEID VAN WASSCHUBJES BIJ DE BIJEN.


De meeste imkers zullen wel weten dat men in het voorjaar onder zijn volken vele wasschubjes kan vinden. Ook als men nog laat in het najaar de bodemplanken schoongemaakt heeft, kan men die wasplaatjes er bij de eerste voorjaarsinspectie in groote hoeveelheid op aantreffen. Die wasschubjes moeten dus uit het overwinterende volk afkomstig zijn.
Nu weten we dat de wasafscheiding behoort tot de taak van de jonge bijen. De onderzoekingen die dit hebben aangetoond, zijn echter bijna uitsluitend in de zomermaanden verricht en over wasvorming in den winter weten we nog zoo goed als niets. Wellicht komt dit doordat men zich geheel vertrouwd heeft gemaakt met de meening, dat wasafscheiding en het bouwen van nieuwe raat alleen bij hoge temperatuur en goede dracht plaats vindt.

Zoekt men in de literatuur op, welken weg men moet inslaan om waszweetende bijen te vinden, dan wordt men algemeen verwezen naar zwermen of naar bouwende volken. "Men heeft slechts enkele bijen in den tijd dat er nieuwe raten gebouwd worden, om te draaien en men ziet terstond de wasplaatjes tusschen de ringen zitten", zegt von Buttel-Reepen (Leben und Wesen der Bienen, 1915, blz. 152).

Toch vindt men in de literatuur enkele aanwijzingen, dat er ook bij de winterbijen soms wasschubjes te vinden zijn. Tuenin (Les glandes cirières de l'abeille; Apiculteur, 1929, blz. 165) onderzocht in den winter 1915—1916 om de 14 dagen een aantal werkbijen om de ontwikkeling der wasklieren te bestudeeren; bij "eenige" vond hij wasschubjes, doch die beschouwde hij als overblijfsels uit den zomer en uit den herfst.
Het voorkomen van wasschubjes bij winterbijen wordt echter wel eens als een ziekteverschijnsel beschouwd. Küstenmacher (Der Aufbau des Bienenkörpers und dessen Funktionen, in Ludwig: Unsere Bienen, 2de druk, deel 1, blz. 236) schrijft hierover: "Er komen zelfs in den winter tot in het voorjaar in volken, die aan roer lijden, zieke waszweetsters voor, die ten minste 6 tot 7 maanden oud zijn en die haar was niet benutten".

En in een publicatie van zeer jongen datum (Die Wachsdrüsen der Winterbienen; Arbeiten der 1. Abteilung des ungarischen biologischen Forschungsinstitutes) beschrijft Orösi Pál een vergelijkend onderzoek op wasplaatjes bij levende en gestorven bijen van een wintervolk en hij komt (blz. 14) tot de slotsom "dat de verhouding van de levende tot de doode bijen, met en zonder wasplaatjes, er geen bewijs voor is dat de bijen mét schubjes slecht overwinteren".

In den winter 1929—1930 onderzocht ik een monster bijen, afkomstig van een volk, dat ziekteverschijnselen vertoonde. Ik kon echter niets bijzonders aan deze bijen bespeuren. Zoo kwam ik er toe ook eens naar de wasklieren te kijken en toen bleek me dat bijna alle bijen, die ik ontvangen had, in het bezit waren van volledig ontwikkelde wasschubjes. Maar toen ik mijn eigen bijen en de volken van verschillende imkers uit mijn omgeving daar op onderzocht, zag ik dat, in het begin van Januari, dit verschijnsel algemeen was.
Een en ander gaf mij aanleiding om het voorkomen van wasschubjes bij de bijen eens systematisch te onderzoeken en van deze studie laat ik hier een kort verslag volgen.
De werkbij heeft, aan de buikzijde van haar lichaam, op ieder van de laatste 4 achterlijfssegmenten, 2 wasklieren, dus in totaal 8. Die wasklieren liggen in het lichaam en zijn dus niet zichtbaar. Zij verraden echter haar aanwezigheid door de wasspiegels. Dit zijn dunne, blinkende gedeelten van de chitinehuid, waar doorheen het in de klieren gevormde was naar buiten komt. Op die wasspiegels ontstaan dus de schubjes.

Zoo eenvoudig als von Buttel-Reepen het aangeeft om die wasschubjes te zien te krijgen, n.l. het op den rug leggen van een bij, is het echter niet. Die wasschubjes zitten tusschen de achterlijfssegmenten verborgen. En als men een bij doodt, trekt zij als regel haar achterlijf in, zoodat men, ook met een sterk vergrootglas, niets te zien krijgt.
Bij mijn onderzoek paste ik daarom de volgende methode toe. De te onderzoeken bijen werden in een flesch gedaan en gedood met benzinedamp. Een doode bij werd op den rug op een platte kurk gelegd en met een speld door het borststuk daarop vastgenageld. Een tweede speld werd nu door het uiteinde van het achterlijf gestoken en daarmee dit achterlijf flink uitgerekt, waarna ook de tweede speld in de kurk gestoken werd. Deze opgeprikte en uitgerekte bijen werden nu bekeken met een binoculair microscoop.

Heeft een bij volledig ontwikkelde wasschubjes, dan ziet men deze terstond. Zijn er geen wasschubjes aanwezig, dan zien de wasspiegels er glimmend en doorzichtig uit. Zitten er dunne schubjes op, dan zijn de spiegels dof. In dat geval kan men met een naald gemakkelijk controleeren, hoe dik de plaatjes zijn. Door de werking van de benzinedamp glijden ook zeer dunne plaatjes gedeeltelijk over de spiegels, als men ze even met de punt van een naald aanraakt.

Bij het aanteekenen van mijn waarnemingen deden zich echter al dadelijk moeielijkheden voor. De plaatjes zijn namelijk zeer verschillend van dikte en, zonder ze te meten, is het niet doenlijk die dikte aan te geven. Soms zijn de schubjes zóó dun, dat ze niet in haar geheel met een naald op te nemen zijn. Ik kreeg dan wel wat was aan de naald, doch niet een heel plaatje. Ten slotte heb ik de knoop doorgehakt door te besluiten de aanwezigheid van wasschubjes door het teeken + aan te geven; afwezigheid van was werd opgeschreven als —; twijfelachtige gevallen, dus schubjes, die zoo dun waren dat ze niet met een naald opgenomen konden worden met het teeken ?.

Maar ondanks deze klasse-indeeling bleven er moeilijkheden. De grenzen tusschen de klassen zijn namelijk niet scherp te trekken. Doordat deze proeven zich over een geheel jaar uitstrekten, kunnen ze heel gemakkelijk eenigszins willekeurig genomen zijn. De cijfers die ik van deze onderzoekingen geef, mogen dus niet te streng beoordeeld worden. Ik ben er van overtuigd dat een onderzoek, dat b.v. tot resultaat had: 80+, 10?, 10—, misschien bij een nieuwe controle van hetzelfde materiaal tot resultaat gehad zou hebben: 78+, 14?, 8—. Kleine verschillen in de uitkomsten kunnen dus heel goed het gevolg zijn van de grove manier van onderzoek.

Een ander bezwaar bleek het feit dat op de verschillende wasspiegels van dezelfde bij de wasplaatjes niet alle even dik zijn. Vooral bij de winterbijen komt dit verschijnsel vrij sterk voor, veel meer dan bij de zomerbijen. In den winter ziet men vaak dat op den rechter spiegel van eenzelfde segment een normaal dik schubje zit, terwijl op den linker maar een heel dun vliesje te vinden is.

Teneinde hierin een inzicht te krijgen onderzocht ik in Maart 1930 van 25 bijen alle wasspiegels. Het resultaat van het onderzoek van 10 dezer bijen laat ik hier volgen. In dit overzicht zijn de wasspiegels genummerd met de cijfers 1 tot en met 8; de nummers 1 en 2 geven de wasspiegels op het laatste achterlijfssegment aan; de nummers 3 en 4 die op het voorlaatste, enz.

Toestand der wasschubjes op de spiegels:



Uit dit overzicht blijkt wel dat alle mogelijke combinaties kunnen voorkomen. En in een onderzoek dat eenige duizenden bijen omvatte, is het niet mogelijk de toestand van ieder schubje afzonderlijk aan te geven. Ik heb daarom besloten het resultaat van het onderzoek van een bij, die tenminste 2 wasschubjes bezat, aan te geven met het teeken +; bezat zij slechts 1 schubje of heelemaal niets, dan met het teeken -.
Een heel enkele keer trof ik ook abnormaal dikke schubben aan en dan meestal op de wasspiegels van het laatste achterlijfssegment. De dikte dezer schubjes was echter nooit grooter dan 3 keer de dikte van een normaal plaatje.
Het onderzoek naar het voorkomen van wasplaatjes werd in 3 verschillende richtingen ingesteld en wel:
1. bij bijen uit een normaal kastvolk;
2. bij stuifmeelhaalsters;
3. bij waterhaalsters.

1. Onderzoek bij een kastvolk.

Dit volk zat in een Simplexkast en was ingewinterd op 10 broedramen. Van dit volk werden iedere maand 300 bijen onderzocht: 100 van het linker kantraam; 100 van het rechter kantraam en 100 van het middelste raam. De bijen werden van de raampjes gestooten in een glazen bak, die daarna zoo gauw mogelijk door een stuk kaasdoek werd afgesloten. Dan werden ze in een flesch overgebracht en met benzine gedood.

Hierbij deed zich de vraag voor of de bijen bij deze behandeling misschien wasschubjes zouden verliezen. Dit bleek echter niet of in onbeteekenende mate het geval te zijn.
De resultaten van dit onderzoek zijn in vorenstaand overzicht verwerkt.
Ondanks de sterke storingen van het volk in de wintermaanden, overwinterde het uitstekend en vertoonde het in het voorjaar niet de minste roerverschijnselen,

2. Onderzoek bij stuifmeelhaalsters.

De met stuifmeel beladen bijen werden aan het vlieggat van korven of kasten gevangen en op de bekende wijze onderzocht.



A. Vrijgelegde buikstukken van het 8e en 9e achterlijfssegment. De doorzichtige gedeelten aan den bovenkant van ieder stuk zijn de wasspiegels. In den natuurlijke stand is het bovenste segment over het onderste geschoven tot aan het donkere gedeelte.











B. Kunstmatig uitgerekt achterlijf van een werkbij, met zes zichtbare wasschubjes op de spiegels; die op het laatste achterlijfssegment zijn niet duidelijk zichtbaar.








3. Onderzoek bij waterhaalsters.

De waterhaalsters werden op 2 verschillende drinkplaatsen gevangen en op de gewone wijze onderzocht.



Ik moet het resultaat van dit onderzoek nog aanvullen met de volgende mededeelingen.
1. Bij het onderzoek van het kastvolk bleek dat, in het algemeen, de wasschubjes in de wintermaanden normaal van dikte zijn. In het vroege voorjaar bleken ze iets dunner te worden. In de maanden Mei en Juni, dus in den zwermtijd, nam de dikte weer toe tot normaal, in de daarop volgende maanden Juli, Augustus en September bleek de dikte der plaatjes echter sterk afgenomen te zijn. De meeste bijen hebben dan slechts dunne plaatjes. Vanaf October namen ze dan echter weer in dikte toe.
2. Bij het onderzoek van stuifmeel- en waterhaalsters bleken de meeste schubjes dun te zijn.
Door in 1931 en 1932 telkens steekproeven te nemen, is het me gebleken dat het in 1930 verkregen resultaat geen uitzondering is, doch in het algemeen een getrouw beeld geeft van den toestand bij de bijen in ons land.
(Wordt vervolgd)
MINDERHOUD.