BIJENZIEKTEN.


(Uit het verslag van de werkzaamheden der Rijksseruminrichting te Rotterdam. 1931.)

In het verslag over 1930 werd er op gewezen, dat het gering aantal inzendingen mocht worden aangezien als een afspiegeling van den algemeenen gezondheidstoestand, welke aldus gunstig was te noemen.

Ook in 1931 is weinig ziektemateriaal ingezonden wat betreft het aantal inzenders. 16 Imkers zonden één of meer monsters in, welke op nosema en vergiftiging werden onderzocht. De onderstaande tabel geeft den uitslag van het onderzoek weer.
Bovendien kwam op talrijke standen in het begin van Juli een vrij belangrijke sterfte voor, waarvan de oorzaak niet was vast te stellen. Op een bezoek bij eenige imkers in de provincie Groningen werden vrij groote hoeveelheden bijen vóór en om de standen aangetroffen, deels reeds gestorven, deels krabbelende over den grond. Als bijzonderheid zij vermeld, dat deze sterfte plaats greep gedurende den boonenbloei. Van verschillende kanten werd gewezen op een mogelijk verband, daar deze bloei in hoofdzaak gedurende deze dagen voorkwam. Een bepaalde doodsoorzaak kon tot heden niet worden vastgesteld. Ingeval deze sterfte zich in komende jaren mocht herhalen zal een meer uitgebreid onderzoek, zoowel biologisch als scheikundig, gewenscht zijn.

Behalve een enkelen bijenstal van ruim 80 volken waar de nosema zeer ernstig heerschte, zoodat vrijwel geen zwermen konden worden geschept, werd deze ziekte op nog enkele standen bij vele volken waargenomen, alle echter in geringen graad. De toezending had na overleg plaats gehad. Wat deze ziekte dus betreft, welke voor ons land wel als de voornaamste bijenziekte mag gelden, zou men ook in 1931 den gezondheidstoestand "gunstig" mogen beoordeelen.

Toch hebben onderzoekingen op eigen initiatief ondernomen, aangetoond, dat die toestand niet "onverdeeld gunstig" is te noemen. Hieruit en uit de verschillende informaties is steeds duidelijker gebleken, dat ondanks het niet ruchtbaar worden van ziektegevallen ten gevolge van het parasitisme, dit toch wel degelijk voorkwam en op verschillende bijenstallen schade berokkende van meer of minder ernstigen omvang. Deze bekendheid met het min of meer chronisch voortbestaan der ziekte is aanleiding geweest een meer uitgebreid onderzoek in te stellen in hoofdzaak naar het voorkomen en het verloop der ziekte, alsmede te trachten uit deze kennis aanwijzingen te putten, die voor een bestrijding of uitroeiing nuttig konden zijn.

Met het bedoelde onderzoek is, in opdracht van den Directeur van den veeartsenij-kundigen Dienst in het voorjaar een aanvang gemaakt. Daar het tot over 1932 tot in 1933 zal worden voortgezet, zullen hier slechts enkele mededeelingen worden gedaan. Het geheele onderzoek zal in een rapport worden neergelegd.

De streek, waar de onderzoekingen worden verricht, is gelegen in de provincie Groningen. Reeds vanaf 1928 hebben de imkers aldaar groote schade ondervonden van de ziekte en ook in het voorjaar van 1931 waren de berichten zoodanig, dat men sterfte en wegtering met deze ziekte in verband bracht.

Maandelijksch onderzoek van monsters bijen der standen van 15 imkers omvattend 260 volken toonde aan, dat de ziekte bij allen voorkwam; het aantal volken waarbij de parasiet aanwezig was, varieerde van 50—100%.

Hoewel de berichten van zelfreiniging van een volk gedurende de zomermaanden niet eensluidend zijn, was dit met een stand in 1928 uit Groningen door de rijks-seruminrichting aangekocht, toch het geval geweest (zie verslagen 1928 en 1929). Verwacht werd, dat dit ook het geval zou zijn met standen in Groningen. Geen enkele stand was echter in October 1931 nosemavrij. Wel waren de percentages sterk gedaald, deze bedroegen nog 20—50% van de totalen. Eveneens was de graad der ziekte in den loop van den zomer sterk afgenomen.

Naast dit meer systematisch werk, ten doel hebbend een overzicht te verkrijgen, omtrent het verloop der ziekte in verband met de biologische verhoudingen van het volk wat aangaat ontwikkeling en productievermogen, is vanaf Februari 1931 een periodisch onderzoek ingesteld naar den levensduur van den parasiet in de media, waarin en waarop zij voorkomt. Verschillende infectieproeven zijn genomen alsmede de ontwikkelingsgang van den parasiet in het laboratorium histologisch bestudeerd.
Wat betreft de bestrijding zijn uit het verloop der ziekte, alsmede uit den langen levensduur van den parasiet, enkele gegevens verkregen, in verband waarmede in het najaar aan de medewerkende imkers enkele aanwijzingen werden verschaft betreffende de inwintering, terwijl in uitzicht werd gesteld het onderzoek in het volgend voorjaar voort te zetten.

Bij de verschillende handelingen in het belang van het onderzoek heeft men steeds de volle medewerking der betreffende imkers mogen ondervinden.



Bijschrift van Dr. A. J. Winkel.
In verband met bovenstaand verslag betr. o.a. het Nosema-onderzoek en het plan in den loop van 1933 hierop uitvoeriger terug te komen, wil ondergeteekende alsnog op het volgende wijzen, mede naar aanleiding van hetgeen reeds in vorige jaren over Nosema-onderzoek in dit blad verscheen.

Wij naderen straks het voorjaar, in welke periode de Nosemaziekte, als deze in sterke mate op een stand aanwezig is, haar schadelijke werking zal kunnen doen gevoelen. Dit zal zich in hoofdzaak in verzwakking van het zieke volk openbaren.
Dit proces van verzwakking zal, gelijk ieder imker die een oordeel heeft over den invloed, welke voeding, verpleging en weersomstandigheden op de hoedanigheid van een volk uitoefenen, zich in alle graden kunnen voordoen, zooals hij ook weet dat er ook andere mogelijkheden van verzwakking bestaan dan ziekte.

Mochten deze teleurstellende ervaringen bij imkers zich voordoen en zij wenschen te weten of Nosema de oorzaak der sterfte is, dan zijn zij daartoe in de gelegenheid door toezending naar de Rijksseruminrichting in Rotterdam van de doode bijen, welke op den bodemplank of onder de korf zich bevinden en die bij de eerste geschikte gelegenheid daaronder vandaan zijn te halen; ook van die bijen die tijdens de eerste vluchten buiten hun woning sterven.

Indien men de achteruitgang reeds vroeger opmerkt, dan kan men zich bijtijds in verbinding stellen met ondergeteekende, zoodat men materiaal ontvangt voor verzamelen en verzenden der bijen, hetgeen bovendien niets hoeft te kosten.
Zijn er imkers, die zonder opvallende sterften op te merken toch willen weten of Nosema op hun stand voorkomt, dan volgen zij denzelfden weg en zenden de doode bijen toe, die worden gevonden bij de eerste inspectie.
Rotterdam, Dec. 1932.
WINKEL.

Bijschrift Red. Laat een ieder dit verzoek nu eens goed in zijn oor knoopen en Dr. Winkel voorzien van veel onderzoekingsmateriaal.
RED.