
(Vragen te richten aan dhr. A. Oonk, Warnsveld)
Vraag 75.
Hoe was de honingoogst dit jaar in kwantum ? Mooi, middelmatig, slecht?
J. M. C. K. te R.
Antwoord: In mijn streek was de voorjaarsdracht goed; de zomerdracht goed tot zeer goed en de najaarsdracht (er wordt naar de hei gereisd) middelmatigjes. Hoe of de oogst over geheel Nederland geweest is, is nog moeilijk op te geven. Daartoe moet de algemeen-secretaris van onze Vereeniging eerst alle jaarverslagen van de afd. secretarissen binnen hebben. Het resultaat zal men dan kunnen lezen a.s. voorjaar in “het Jaarverslag 1932” voor de Algemeene Vergadering onzer Vereeniging te Utrecht.
Vraag 76:
Wat is de gemiddelde oogst per korf, welke per kast?
J. M. C. K. te R.
Antwoord: Ook dit is moeilijk op te geven. Zulks hangt af van de streek, waarin men imkert, of hierin veel of weinig honinggevende bloemen voorkomen, of er korte of lange drachtperioden zijn. Verder of men met de bijen reist; de weersgesteldheid speelt een buitengewoon groote rol en vooral niet te vergeten . . een zeer voorname factor, misschien wel de voornaamste, is de imker zelf, of deze zijn bijen goed behandelt, of wellicht mishandelt?
In een streek met behoorlijke dracht en goed onderhouden volken zal men in doorsnee wel op 7½ à 10 K.G. per kastvolk mogen rekenen. De oogst per korf-volk zal in verhouding beduidend minder zijn, tenminste, wat de opbrengst aan goed verhandelbaren honing betreft.
Deze gemiddelde oogst betreft n.l. de opbrengst over een geheel jaar, dus niet de oogst op de hei alleen, want het heidegewin kan sterk uiteenloopen. Mocht U hierin belangstellen, dan moet U de "Practische Imker" Jrg. 1931 maar eens aanvragen, wat ik daar schreef over "Een 25 jarig chronologisch overzicht over het verloop van het honinggewin op de heide van 1906 tot en met 1930" pag. 17, 31, 44, 69 en een "Classificatie van het heidegewin" pag. 82, met de daarbij behoorende grafieken op pag. 87 en 119.
A. OONK.
Een bakker vertelde mij dat onze honing ongeschikt was voor de bakkerij, dat hij behalve te duur, dus met buitenlandsche honing niet kan concureerren, ook niet de eigenschappen bezit voor de bakkerij noodig. Wat is daar van aan? En een groothandelaar vertelde mij, dat die buitenlandsche bakkershoning, bij groote hoeveelheden werd ingevoerd, en door den waren-keuringsdienst, voor het gebruik geschikt wordt bevonden.
X. te Z.
Door de koekbakkerij wordt vaak beweerd, dat onze honing minder geschikt is om in koek te worden verwerkt. Daar staat tegenover, dat ten behoeve van de koekfabrikanten in de oorlogsjaren beslag werd gelegd op ons product, omdat van buiten niets meer binnenkwam. Bij mij thuis bakken ze van onzen Ned. honing een heerlijk koekje ! !
De hoofdreden zal wel zijn, dat het buitenlandsch product tegen schandprijzen te verkrijgen is. Indien de honing geen andere stoffen bevat dan in het honing-besluit zijn toegelaten, dan is er voor de Keuringsdiensten geen reden om aanmerkingen te maken. Het is bekend, dat voor de koekfabrikatie de goedkoopste honingsoorten worden gebruikt b.v. Cuba, Chili enz.
RED.