HET VERVLIEGEN DER BIJEN.
Onder vervliegen verstaan we het verschijnsel dat de bijen, die van nature de eigenschap hebben om naar haar eigen volk terug te keeren, na een vlucht in een ander volk terechtkomen. Over dit vervliegen der bijen zijn in de laatste jaren in het buitenland een aantal onderzoekingen verricht, waarvan de uitkomsten ook voor ons land van belang geacht kunnen worden.
Wat heeft het vervliegen der bijen dan wel voor den imker te beteekenen?
De beteekenis van het vervliegen kan zeer verschillend zijn. Voor den gewonen imker is van het meeste belang het vervliegen der koninginnen. Komt een jonge koningin na een oriënteerings- of bruidsvlucht in een vreemd volk terecht, dan wordt haar eigen kolonie moerloos en we weten maar al te goed, wat daarvan het gevolg is.
Het vervliegen is ook van belang voor de kennis van het rooven der bijen. Verdwaalde bijen worden in vele gevallen door het nieuwe volk aangenomen; soms echter niet en dan maakt het vervliegen den indruk van rooverij, wat het in dit geval toch niet is.
In landen waar besmettelijkte ziekten onder de bijen voorkomen, levert het vervliegen een groot gevaar op. Als deze ziekten door de vliegbijen kunnen worden overgebracht, is er groot gevaar dat de vervliegende zieke bijen de gezonde in korten tijd ook aantasten.
Van veel belang is de kennis van het vervliegen voor die onderzoekers, die zich met de studie van een bepaalde eigenschap van een bijenvolk bezig houden.
Wil men b.v. van een aantal kolonies dat volk uitzoeken, dat de grootste honing-opbrengst heeft, teneinde van deze koningin voort te teelen, dan moet men natuurlijk het vervliegen zooveel mogelijk voorkomen. Zou het volk, dat de grootste opbrengst geeft, er op de een of andere manier een groot aantal vervlogen bijen bij gekregen hebben, dan zijn de uitkomsten natuurlijk geheel onbetrouwbaar.
Kennen we eenmaal de oorzaken, die vervliegen tot gevolg hebben, dan dringen zich natuurlijk terstond vragen op: hoe moeten we onze stallen inrichten en hoe moeten we onze kasten of korven schilderen om het vervliegen der bijen zooveel mogelijk tegen te gaan.
Dat de bijen gemakkelijk kunnen vervliegen, is al heel lang bekend, vooral door den invoer van Italiaansche koninginnen. Plaatst men een zuiver zwart volk naast een Italiaansch, dan ontdekt men al heel gauw gele bijen tusschen de zwartjes.
Maar een dieper inzicht in het verschijnsel hebben we eerst in de laatste jaren gekregen. Deze onderzoekingen zijn bijna uitsluitend in Duitschland verricht en dit is heel goed verklaarbaar. Duitschland heeft een groot aantal menschen die zich met onderzoekingen op bijenteeltgebied bezig houden. Het heeft echter ook vrij veel last van ziekten onder de bijen. Bovendien komt daar, in het algemeen gesproken, het vervliegen veel meer voor dan in andere landen. De oorzaak hiervan moeten we zoeken in den Duitschen stalbouw. Men werkt daar veel met kasten, die aan den achterkant behandeld moeten worden, terwijl de bovenkast gesloten is. Deze kasten hebben aan de zijkanten geen uitstekende deelen en kunnen gemakkelijk op elkaar gestapeld worden. En dit is ook noodig, want die woningen zijn er niet op berekend om in de vrije buitenlucht te worden opgesteld. Ze moeten in een stal staan en daar deze duur is, worden de volken zoo dicht mogelijk op elkaar gestapeld, soms 4 rijen op elkaar. Die dichte plaatsing van een groot aantal volken bij elkaar, maakt het den bijen natuurlijk moeilijk om den weg naar huis terug te vinden, zoodat vervliegen aan de orde van den dag is.
In de meeste andere landen en ook in ons land, heeft men van dat vervliegen veel minder last omdat men de volken iets verder van elkaar plaatst, zoodat de kans op vergissingen veel kleiner wordt.
In Engeland, in Amerika en in vele andere landen zet men de bijen onder den blooten hemel, verspreid over een stuk grond. De kasten staan daar apart of in groepjes van twee, terwijl de tusschenruimte vaak meer dan 3 meter bedraagt.
Bij ons te lande vindt men de bijen vaak in lange, rechte rijen opgesteld. Dit systeem hebben we aan de korfimkers te danken, die hun korven veel gemakkelijker tegen den regen konden beschutten als ze op een rij stonden, dan wanneer ze over het veld waren opgesteld. Doordat het dak van de meeste kasten zijwaarts iets uitsteekt, moet er vanzelf wat ruimte tusschen de kasten blijven en dit komt de oriëntatie der bijen zeer ten goede.
Bij het beoordeelen der Duitsche onderzoekingen, moeten we er ons dus rekenschap van geven, dat deze op Duitsche stallen verricht zijn, zoodat we de resultaten niet zonder meer maar dadelijk op onze bijenstallen van toepassing mogen verklaren. De methode van onderzoek is vrij eenvoudig: men merkt uit een bepaald volk een groot aantal bijen met een verfstip op het borststuk en onderzoekt nu na eenigen tijd, wat die gemerkte bijen doen of gedaan hebben.
Dit merken der bijen kan gebeuren aan het vlieggat, waar men in- of uitvliegende bijen opvangt, of ook terwijl de bijen op de raten zitten. Met wat suikerwater houdt men ze dan gemakkelijk zoet. Het merken op de raten verdient de voorkeur boven het vangen van bijen aan het vlieggat. Bij het vangen van bijen aan het vlieggat, verandert men eenigermate het beeld van den bijenstal en dit kan misschien oorzaak van vervliegen zijn.
De contrôle van het verdere gedrag der gemerkte bijen is echter minder eenvoudig en kan gemakkelijk aanleiding geven tot fouten in de wijze van proefneming.
Geen fouten hoeft men te vreezen als men in het najaar een groot aantal bijen gemerkt heeft en men gaat in het voorjaar onder alle volken kijken hoeveel doode, gemerkte bijen er op de bodemplank liggen.
Weinig angst voor fouten behoeft men te hebben als men, achter den stal staande zich wat over de kasten buigt om te kunnen zien, of er tusschen de aan- en uit-vliegende bijen gemerkte exemplaren voorkomen. Het beeld van den bijenstal verandert hierdoor wel eenigszins, maar de bijen houden haar vrije vlucht en de directe omgeving der vlieggaten wordt er niet door veranderd.
Deze wijze van controle der gemerkte bijen is echter alleen mogelijk als de volken in één rij staan opgesteld. Staan er 2 of meer rijen boven elkaar, dan gaat dit niet, daar men zich vrij dicht bij de vlieggaten moet bevinden om de gemerkte bijen te kunnen onderscheiden.
In dat geval moet men zich voor den stal opstellen, op ongeveer 1 meter afstand van de vliegopeningen. Men staat dan echter in de volle vlucht, geeft aan de vlieggaten een heel ander beeld en maakt het den thuiskomers moeilijk om den weg naar haar woning terug te vinden. Het lijkt mij dan ook toe dat de resultaten, die men op deze manier krijgt, niet geheel betrouwbaar zullen zijn.
Toch moet men op de Duitsche stallen deze methode wel toepassen. Rauschmayer (Rauschmayer. Das Verfliegen der Bienen und die optische Orientierung am Bienenstand. Archiv für Bienenkunde, Band 9 1928.) werkte op een stal, waarvan de voorwand 5 M. breed en 2.50 M. hoog was en waarin zich slechts 8 kleine vliegopeningen bevonden; verder was deze wand volkomen vlak. Om het vervliegen der gemerkte bijen te kunnen vaststellen, moest hij zich, vlak bij de vlieggaten, voor den stal plaatsen.
Het is nu echter de vraag in welke mate het vervliegen door zijn eigen tegenwoordigheid veroorzaakt is. Een bijzondere wijze van controle van gemerkte darren vinden we toegepast door Borchert (Borchert. Weitere Untersuchungen über das Verfliegen der Bienen. Die Deutsche Bienenzucht in Theorie und Praxis, Jahrgang 36, 1928.). Deze had een aantal darren van een volk gemerkt en keek nu, na afloop van de darrenslacht, hoeveel er van de gemerkte darren dood voor iedere kast lagen.
Voor de kennis van het besmettingsgevaar van zieke darren kan dit onderzoek zeker van belang zijn, doch m.i. mogen we in dit geval niet van vervliegen spreken. In den tijd dat de darren worden afgemaakt, kan men heel vaak zien dat een dar, die aan het vlieggat van een bepaald volk wordt aangevallen, de vlucht neemt en bij een buurman aanvliegt. Hier zijn dus andere factoren in het spel dan bij het vervliegen van normale bijen.
Een uitvoerige bespreking van de genomen proeven zou veel te veel plaatsruimte vragen en daarom meen ik te mogen volstaan met de opsomming van de gevonden resultaten. Ten overvloede misschien wijs ik er echter nog eens op, dat deze resultaten op typisch Duitsche stallen gevonden zijn en dat de gebruikte methoden van onderzoek in sommige gevallen aanvechtbaar zijn.
Borchert (Borchert. Beitrage zur Kenntnis des Bienenparasiten Nosemaapis. Archiv für Bienenkunde, Band 9, 1928.) vond het volgende.
Het vervliegen vindt ook plaats op de weinige, voor een vlucht geschikte dagen in herfst, winter en voorjaar, voordat de reinigingsvlucht gehouden wordt.
Het vervliegen van in den herfst gemerkte bijen vindt in het voorjaar in sterker mate (6.5% en 7.8%) plaats dan bij de zomerbijen (3.4%).
De afstand, waarover vervliegen plaats vond, bedroeg in vele gevallen 12 tot 20 M; in een enkel geval 80 M.
Deze onderzoeker vond bij proeven met darren: De onderzoekingen hebben dus tot resultaat gehad dat van de 462 dood voor den stal gevonden darren, die gemerkt waren op 3.7.28 en opgeraapt op 28.8.28. na het eindigen van de darrenslacht, er tenminste 16% haar eigen kolonie verlaten hadden om bij vreemde volken aan te vliegen en verder bewijzen de gevonden getallen dat de darren blijkbaar in nog sterkere mate dan de werkbijen, de gewoonte van het vervliegen bezitten.
Minderhoud (Minderhoud. Eenige waarnemingen. Maandschrift voor Bijenteeelt, jaargang 35, 1932) vond dat, als de gelegenheid tot vervliegen zeer gering is, alle darren naar hun eigen woning terugkeeren als de omstandigheden normaal zijn en de darrenslacht nog niet begonnen is.
(Wordt vervolgd in april no.)