(Vragen te richten aan dhr. A. Oonk, Warnsveld)


Vraag 81.
Ik heb veel last van rooverij. Hoe kan ik deze het best verhinderen?
R. B. te E. en H. N. te W.
Antwoord: In tijden, dat er volop nectar voor de bijen in de natuur te halen is, heeft men geen last van rooverij, doch zoodra de honingbronnen ophouden te vloeien, is rooverij te duchten. Als men rooverij op zijn stand heeft, is dit altijd een onaangenaam en lastig geval. Het beste middel om rooverij te voorkomen, is deze niet uit te lokken.
Daarom moet men zorgen geen zwakke of moerlooze volken op zijn stand te hebben; alles zindelijk te behandelen, dus met geen handen, waaraan suikerstroop, of honing kleven, korven of kasten aanpakken; 's avonds voeren en als het voer 's morgens niet geheel is opgenomen, dit wegnemen. In drachtlooze tijdperken zoo min mogelijk ramen uit de kasten nemen, want in het voorjaar, doch vooral in den zomer na de hoofddracht ca. de tweede helft van Juli zijn de roovers buitengewoon actief en de volken, welke men overdag behandelt en dan door de roofbijen worden lastig gevallen, kunnen dan zóó kwaad worden, dat het steken regent en men het nazien spoedig moet staken. Is het behandelen van een volk beslist noodzakelijk, dan moet dit bij voorkeur in de vroege ochtenduren of in de late avonduren geschieden, als de bijen nog niet, of niet meer vliegen.
Is ondanks al onze voorzorgsmaatregelen rooverij uitgebroken en is deze nog in een begin stadium, dan kan men de vlieggaten verkleinen; lange grassprieten voor het vlieggat binden, of een plankje voor het vlieggat plaatsen. In de meeste gevallen zal, als men er spoedig bij is, de rooverij afnemen en nog eenigen tijd geheel ophouden.
Blijkt echter, dat de rooverij niet meer gekeerd kan worden, dan bestrooit men de bijen met meel om te zien, wie of de roover is, als men dit nog niet te weten mocht zijn gekomen. Vooral volken, welke in drachtlooze tijden, 's morgens vroeg en 's avonds laat, of bij regenachtig weer, als andere koloniën niet vliegen, buitengewoon druk zijn, moet men in het oog houden.
Het radicaalste middel om de rooverij te doen ophouden, is 's avonds den roover weg te nemen en ruim een half uur van zijn standplaats verwijderd neer te zetten.
Ook kan men het beroofde volk wegnemen en op de plaats een leegen korf neerzetten, welke van binnen met wat honing is besmeerd. Het vlieggat wordt verkleind en voorzien van een trechtervormig glazen pijpje met het trechtervormig gedeelte naar buiten gekeerd. De roofbijen komen door dezen glazen trechter den korf binnen, doch daar de glazen buis tot in het midden van den korf steekt, kunnen de roovers het vlieggat niet meer terugvinden, zoodat zij gevangen zitten. Na eenigen tijd, heeft men alle roofbijen gevangen. Zoodra er geen bijen meer naar binnen komen, blaast men een voldoende hoeveelheid salpeterdamp door den trechter, waardoor de roovers bedwelmd worden. Zij verliezen het geheugen en kunnen bij het beroofde volk gevoegd worden, dat men weer op zijn plaats in den bijenstal kan neerzetten.
Inplaats van een glazen trechtervormige buis, steekt men ook wel een bijenuitlaat in het vlieggat. De roovers kunnen er wel in, doch niet uit en kan men de roofbijen op dezelfde wijze, als boven omschreven, behandelen.
Als men het beroofde volk wegneemt, moet men altijd een leegen korf of kast, al naar gelang er gestaan heeft, voor in de plaats zetten, want anders zullen de roovers, als het beroofde volk nog niet was leeggeplunderd, zich op de korven of kasten werpen, die naast het beroofde volk staan. En die aanval zal des te heviger zijn, als de rooverij reeds in een vrij ver gevorderd stadium was gekomen en dan is de kans groot, dat ook deze volken ten offer vallen.
Verder verwijs ik naar het artikel van dhr. W. Koops "Brieven uit Gasselternijveen", waarin "Het Rooven" behandeld wordt en dat voorkomt in ons Maandschrift Jrg. 1932 blz. 238.

Vraag 82.
Is de bloem genaamd Pekanjer onder de honinggevende bloemen te rangschikken? Zoo ja, is het van dien aard, dat zij voor aanplanting in aanmerking kan komen?
J. V. te W.
Antwoord: In ons Maandschrift van Oct. Jrg. 1932 blz. 234 heeft onze bibliothecaris, dhr. L. J. van Rhijn te Wageningen een korte beschouwing over de pekanjer gegeven. Hij schreef n l. het volgende: "Herhaaldelijk loop ik den Otto van Gelderweg en nu viel het mij op, dat er steeds bijen waren op een rand met roode bloemen. In de onmiddellijke omgeving staat een bijenkast. De plant heet Lychnis servatica, is ingevoerd uit de kusten der Middellandsche Zee en uit Siberië; zij is winterhard en bloeit van begin Mei tot half Juni; heden 17 Juni is zij uitgebloeid, geslacht Lichnis Flos cuculi of koekoeksbloem algemeen bekend is. In de prijscourant der firma Tubbergen wordt zij pekanjer genoemd. Is eenmaal de aandacht op een plant gevallen, dan ziet men haar telkens terug, zoo ook hier, want zij komt als een rotsplant en randbloem veel voor. De bloemen zijn fraai rood gekleurd. Juist omdat de bijen uit de onmiddellijke omgeving de bloemen bezoeken, is de aanplanting bij bijenstanden aan te bevelen. Ik zal trachten voor belangstellenden er wat zaad van te verzamelen. Een rand van deze bloemen maakt een schitterend aspect".
Tot zoover dhr. v. R. Ik ken deze bloem niet, doch U zoudt er eens een proef mee kunnen nemen om te zien, hoe of het bezoek der bijen erop is en kunt dan Uw oordeel vormen, of zij voor verdere aanplanting in aanmerking komt.
Noot Red. Ons lid dhr. L. Hoekzema te Erps-Querbs in België schrijft mij naar aanleiding van het art. van dhr. v. Rhijn dat de beschrijving grootendeels onjuist is. De Koekoeksbloem behoort tot de fam. Caryophijlláceae. Ze heet Coronaria flos cúculi. De naam Koekoeksbloem wordt ontleend aan het zgn. Koekoeksspog, dat men er haast altijd aan kan vinden. De teere bloemblaadjes zijn diep ingesneden. De bloembuis is korter en daarom kunnen bijen en vliegen, die een vrij lange tong hebben bij de honing komen. Dhr. Hoekzema schrijft verder, dat wat door fa. Tubbergen en andere fa.'s Pekanjer genoemd wordt absoluut geen Flox Servatica doch Viscaria Splendens (Pekanjer) is, welke een paarsroode kleur heeft. Hoogte 40 c.M. Ze verlangen veel zon en zijn winterhard. Tevens is er ook nog de Viscaria Splendens fl. pl. (dubbele Pekanjer) paarsrood 30 c.M. hoog, bloeitijd Mei. In de voorjaars-prijscourant van de fa. v. Tubbergen staat ze aangegeven als Lychnis. De Lychnis Viscaria Splendens fl. pl. is als vaste plant bij goede kweekers wel te verkrijgen. Wij danken dhr. Hoekzema zeer voor zijne rectificatie en brengen hem van hieruit onzen Hollandschen Imkersgroet.
RED.

Vraag 83.
Kunt U mij ook voorlichting geven op welke wijze ik het beste met menschen in contact zou kunnen komen, die genegen zouden zijn bijen op hun landgoed of boomgaarden te laten plaatsen, omdat ik in een streek woon, waar in het voorjaar voor de bijen weinig te halen is.
J. V. te B.
Antwoord: In het voorjaar wordt vaak met de bijen naar de kersenboomgaarden te Eijsden (Zuid-Limburg) of naar de Betuwe gereisd. Adressen waar U bijen zoudt kunnen plaatsen, zijn mij niet bekend, doch U zoudt zich b.v. kunnen wenden tot de veilingsvereeniging "Geldermalsen e.o." te Geldermalsen, of de veilingsvereeniging V.V.O.B, te Eist. De mogelijkheid is groot, dat een van deze veilingsvereenigen U wel van advies zal kunnen dienen.
Mochten onze lezers adressen kunnen opgeven, waar in het voorjaar bijenvolken geplaatst kunnen worden, dan zouden wij deze gaarne vernemen en aan den aanvrager kunnen doorgeven.

Vraag 84.
Ik heb in den herfst heihoning geslingerd uit ca. 200 ramen en boogjes. Het was laat in den tijd en had geen gelegenheid om die door de bijen droog te laten maken. Ik heb de raten in een gesloten kist geborgen en ze af en toe gezwaveld. Zou er ook gevaar bestaan, dat de honing, die nog in de ramen zit in gisting kan overgaan en zuur kan worden en gevaar kan opleveren om in de Meimaand te gebruiken voor zwermen ?
S. D. te L.
Antwoord:Het verstandigst is, indien U ramen hebt uitgeslingerd, deze zoo spoedig mogelijk door de bijen te laten schoonlikken. U kunt die uitgeslingerde, drooggelikte ramen dan veel gemakkelijker bewaren en uitzwavelen, dan wanneer er zich honing in bevindt.
Als U de ramen, waarin nog honing zit op een droge plaats en in een gesloten kist bewaart, zal de honing wel niet zoo spoedig tot gisting of zuur worden overgaan, vooral waar het heihoning betreft, welke veel fraaier is, dan de dunvloeibare zomerhoning, welke veel spoediger verwatert.
Nu is mij Uw vraag niet al te duidelijk. U schrijft, dat U de ramen in de Meimaand wilt gebruiken voor de zwermen. Is Uw bedoeling dus zwermen op deze ten deele nog met honing gevulde raten te doen, dan moet ik U dit ten sterkste ontraden, omdat voorzwermen wel op ramen, welke droog zijn, gehuisvest kunnen worden, doch niet op ramen, welke losse honing bevatten. In het laatste geval zullen de bijen onmiddellijk kast of boogkorf verlaten. Zit een voorzwerm een viertal dagen op droge ramen en heeft hij deze in bewerking genomen, dan kunt U geleidelijk ramen, welke nog honing bevatten, bijvoegen, al mocht deze honing ook een weinig zuur zijn geworden.
Een ander geval is, als U de raampjes in de honingkamer gebruikt. U kunt een honingkamer met deze raampjes gerust op een volk zetten. Is er nog geen dracht, dan likken de bijen de ramen wel schoon en de kans is groot, dat zij den honing naar beneden brengen. Treedt dan later dracht in, dan zullen de bijen den honing in de schoongelikte honingramen opbergen.
Het meest aanbevelingswaardig zou misschien zijn de ramen in het voorjaar tijdig op Uw bijenvolken te plaatsen en schoon te iaten likken. Dit bevordert het broedaanzetten en kunt U na eenige dagen de ramen er weer afnemen. U kunt dan later deze schoongelikte ramen gebruiken hetzij voor de honingkamer of Uw zwermen.
Ik maak U er nog even op attent, dat U de met honing gevulde ramen altijd in of op Uw volken moet plaatsen, als het donker is en de bijen dus niet meer kunnen uitvliegen. Indien U dit overdag deedt, zoudt U de bijen te wild maken en misschien rooverij kunnen veroorzaken.

Vraag 85.
Ik wensch dit voorjaar onverzegelden raathoning te voeren, dien ik in een gesloten ijzeren pot heb geborgen. Wanneer moet ik met voeren beginnen en welke hoeveelheden moet ik geven? Moet ik deze ook met water verdunnen?
T. Z. te T.A.
Antwoord: Mocht de voedselvoorraad niet voldoende zijn, dan kan in Maart reeds met voeren worden begonnen. Is er nog voldoende voorraad, dan begint men gewoonlijk in den loop van April, als de mooie dagen komen, te voeren om de volken tot het aanzetten van broed op te wekken. In het voorjaar voert men liefst in kleine hoeveelheden; men voegt er tamelijk wat water bij, doch zorgt ervoor, dat de oplossing van een groot zoetgehalte blijft. Men voert liefst 's avonds en bij voorkeur dient men de oplossing lauwwarm toe, omdat de bijen haar dan liever opnemen. Deze kleine porties worden b.v. driemaal per week verstrekt en gaat men er mede voort, tot de dracht intreedt. Men zorgt er echter voor, dat de bijen er geen voorraad van kunnen maken, het voedsel, dat men geeft, dient in broed te worden omgezet. Als men korven begint te voeren, sprenkelt men een weinig voedsel tusschen de raten. De bijen komen dan los en beginnen door den korf te loopen. Men plaatst het voer dicht onder de raten, zoodat de bijen het altijd gemakkelijk kunnen bereiken. Men legt op het voer wat plankjes, strootjes of gras, opdat de bijen er niet in kunnen verdrinken. Als men de korven eenige avonden heeft gevoerd, zijn de bijen, als het ware reeds gedresseerd en beginnen zij al naar beneden te loopen, als men den korf een weinig ombeurt.
A. OONK.