Wenken voor beginnende imkers.


In ons Maartartikel schreven we in Maart niet te voeren, tenzij het dringend noodzakelijk was. Omdat dat artikel de mij toegezegde ruimte reeds overschreed, ben ik toen niet dieper op de kwestie ingegaan.

Dit dus thans. We voeren in Maart niet speculatief, dus niet met de hoop op winst van vele jonge bijtjes, dus niet dun, omdat in de eerste plaats ons de weersomstandigheden dan te ongunstig zijn voor het geboren worden van vele bijtjes, waarop dan het latere uitvliegen en bij slecht weer verongelukken noodzakelijk moet volgen en in de tweede plaats, omdat als we één keer begonnen zijn te voeren, we vol moeten houden, want de jonge bijtjes, die we door ons dunne voer, door ons drijfvoer hebben doen geboren worden, willen we toch zeker ook in 't leven houden.

Hoeveel jonge bijtjes geboren zullen worden, hangt af van de kwaliteit der koningin (ouderdom en raseigenschappen), de grootte der broedruimte, de temperatuur, of we speculatief voeren, ja dan neen of er wat buiten te halen is en wat we voeren. Is er bijv. geen stuifmeel, dan voeren we het beste met verdunde honing als drijfvoer. Gemiddeld zullen in de bevolkingsregisters der kast worden ingeschreven per dag in Januari enkele bijen, in Februari ± 100, in Maart ± 500, in April ± 1000, wat in 't laatst van April kan stijgen tot ± 1500. Die jonge diertjes moeten voedsel hebben en als het dan in de kast niet aanwezig is en ook niet buiten is te krijgen, dan moet de imker het geven. En het gebeurt nu zoo gemakkelijk, dat er eerst de liefhebberij wel is om te voeren, maar dat ze o zoo spoedig verdwijnt.

Is het eitje, waaruit later een werkbij zal groeien, gelegd, dan is dit eitje na 3 dagen een larve, welke 5 a 6 dagen voedsel vraagt, voor ze in poptoestand overgaat. Na 21 dagen, gerekend van het tijdstip, waarop het eitje gelegd werd, wordt het bijtje geboren, doch blijft voorloopig — 15 dagen — in de kast, de eerste 7½ dag als voedster, daarna als wasbouwster. Voor haar moet dus ook nog die 15 dagen voedsel gehaald worden.

Nu, in April, mogen we wel voeren, doch we moeten er op rekenen, dat we het volhonden, desnoods vier weken, tot er buiten voldoende te halen is. Het laatste deel der maand April en het begin van Mei is de geschiktste tijd voor het overbrengen van een korfvolk in een kast. De beste manier is mijns inziens aldus. We plaatsen een paar weken te voren de korf in een ledige kast om de bijen te wennen aan vlieggat, omgeving enz. Hebben we nu een mooie, warme dag — anders loopen de bijen niet — dan nemen we een leege korf, halen onze korf uit de kast, zetten hem 't onderste boven en krammen beide korven op elkaar, stoppen de vlieggaten dicht en jagen kalm aan de bijen uit de onderste korf in de bovenste.

Hoe later in den tijd we dit werk doen, hoe vroeger op de dag het gebeuren moet, anders zijn de raten te slap en jagen we mogelijk de bijen nat door de reeds gehaalde honing. Het punt, waar het op aan komt, is, dat de koningin meekomt.
Nu doeken we het uitgejaagde volk op, trekken de spijlen uit de korf, halen er de raten uit, zorg dragende, dat de stukken raat zoo groot mogelijk blijven en snijden de raat daarna in stukken zoo groot als onze raampjes of kleiner, als de voorraad op is, nemen geen darrenraat mee en binden alles in de raampjes met raffia vast. Het spreekt van zelf, dat de stukken met het meeste broed middenin komen. De raffia bijten de bijen later wel door en brengen ze buiten de kast. We krijgen natuurlijk niet alle raampjes vol en vullen dus aan met kunstraat, heele stukken in leege raampjes, halve of gedeeltes in half of gedeeltelijk gevulde raampjes.

Kunstraat moet steeds op een warme dag in de raampjes gemaakt worden — dan is de kunstraat soepeler en breekt dus niet zoo gemakkelijk. Het raampje moet van 2 draden bijendraad, in lengterichting, zoo strak mogelijk gespannen zijn. 't Eene draad komt aan de onderkant van de kunstraat, 't andere aan de bovenkant, als 't raampje plat neerligt. Door 't raampje zoo te houden, dat de draad onder komt en een brandende lucifer onder dicht langs de draad te houden, terwijl men met de vinger de kunstraat van boven op de draad drukt, krijgt men de draad stevig in de kunstraat. Voor den beginner is dit misschien de gemakkelijkste manier. (Maar erg primitief. Red.) De kunstraat moet aan de onderkant en aan de zijkanten ½ c.M. van de lat afblijven.

't Gemakkelijkst houdt men de spleet open, als men de kunstraat tusschen de 2 draden door in de spleet moet laten zakken door een plankje met twee spijkers zonder kop er op te gebruiken. Men legt eerst het plankje zoo onder de spleet, dat de spijkers in de lengterichting van de spleet achter elkaar liggen en draait het dan zoo, dat ze in de breedterichting der spleet achter elkaar komen, dus ¼ slag om. De spleet splijt dan prachtig uiteen. De kast met z'n inhoud plaatsen we op de oude plaats. Dit is echt een volk om te voeren, tot het de broedkamer vol heeft.

Is er goede dracht, dan kan men misschien aan een enkel volk reeds een honingkamer geven, in daarvoor geëigende streken misschien reeds omhangen, dat men het veiligst doet door een broedkamer met kunstraten gevuld onder de geheel met broed gevulde broedkamer te plaatsen — het is absoluut noodzakelijk, dat de broedkamer geheel met broed gevuld is — en de koningin eigener beweging naar beneden te laten gaan. Pas als ze beneden eieren heeft gelegd, doet men koningin en volk naar beneden en plaatst het koninginnerooster. De met broed gevulde broedkamer blijft boven.
Houd in de broedtijd uw volk warm!
K.