VAN DARRENEI TOT KONINGIN.
"Eenige maanden geleden werden er besprekingen gehouden over "de Theorie van Dzierzon". Naar aanleiding van deze praterij werd besloten in den loop van dezen zomer een proef te nemen". Alzoo schreef dhr. Frijlink in het Sept. No. van ons Maandschrift, dus nog ver voor er een verslag van de proef zelve kon worden gegeven, waardoor o.a. ook ondergeteekende van de wijs zou zijn gebracht. Maar, wie spreekt over "de Theorie van Dzierzon", denkt aan parthenogenese, wat er onafscheidelijk aan is vastgekoppeld, en wie in dit verband spreekt van "proeven", kan niet anders denken dan aan een nieuwen aanval op die "Theorie".
Op de vraag van Dr. Hagendoorn heeft m.n. Ferd. Dickel 40 jaar geleden reeds het antwoord gegeven. Talloos zijn de intressante proeven die deze, ongetwijfeld scherpzinnige ijmker op dit gebied heeft genomen. En, wel eigenaardig, met precies dezelfde uitkomst. Dickel zegt, "alleen bij een pasgeboren darrenlarve kan nog geslachtswisseling plaats vinden, heeft de larve een bepaalden leeftijd bereikt dan is dit uitgesloten, wel nemen de bijen de larve als koninginnelarve in verpleging maar tijdens de ontwikkeling sterft het embryo af". Doch dit heeft met de leer van Dzierzon m.i. weinig uitstaande. Dzierzon toch vond: de koningin kan willekeurig bevruchte (voor werkbijen en koninginnen) en onbevruchte (voor darren) eieren leggen. Deze leer neemt men over de gansche wereld, tot op den huidigen dag, als juist aan, en toch.....sommige verschijnselen in aanmerking nemende, bevredigt ze niet volkomen. In de Duitsche ijmkerswereld heeft er in het laatst der vorige eeuw dan ook een felle strijd over deze leer gewoed. En hoewel Dzierzon zegevierend uit den strijd trad en de leer van Dickel, zijn felste tegenstander, is verlaten, geeft deze Dzierzonsche leer geen afdoende oplossing voor de vele problemen die zich bij de voortplanting in het bijenleven voordoen.
Er blijven nog te veel vragen onbeantwoord, waarbij zich nog voegt het onloochenbare feit, dat de uitkomsten van de proeven van prof. v. Siebold (1854) welke dan gelden als de wetenschappelijke bevestiging dezer theorie, getoetst aan wat nu op dit terrein bekend is, van twijfelachtige waarde zijn. v. Siebold vond in 36 uur oude eieren nog lustig rondzwemmende zaadcellen, terwijl thans in de wetenschappelijke werken wordt geleerd: a. dat de zaadcel, bij het binnentreden van het ei, het staartvormig aanhangsel, waarmee het dan z.g. zwemt, verliest, en b. het zich onmiddellijk na het binnentreden met de eikern vereenigt. Daarom juist zal ieder, die zich voor deze theorie eenigszins intresseert met zooveel belangstelling de practische proeven, die anderen nemen volgen, en het "mislukt" nieuwe teleurstelling brengen. Blijkt dan achteraf dat "de proef" eigenlijk in dien zin geen proef geweest is, dan is de ontgoocheling nog grooter.
Maar we mogen moed houden. In dhr. v.d. Broek vonden we een leider. In Dr. van Hagendoorn een wetenschappelijk onderzoeker, zoodat alle factoren tot het slagen van een massalen proef voorhanden zijn. Doch nog even moet de zaak precies omschreven worden, want hoewel de handelingen voor de proef, die dhr. v.d. Broek bedoelde, en voor die, welke door de anderen wordt bedoeld vrijwel gelijk schijnen, in wezen hebben zij niets met elkander gemeen. De eerste proef tracht een antwoord te vinden op de vraag "wat maken de bijen van een darrenlarve als koninginnelarve verpleegd", de tweede proef zoekt een antwoord op "legt de koningin inderdaad (volgens Dzierzon) bevruchte en onbevruchte of alléén (volgens Dickel) bevruchte eieren". De eerste staat vrijwel buiten de theorie van Dzierzon, de tweede vloeit er uit voort.
Daarom is ook de zin uit het stukje van dhr. v. d. Broek "willen meerdere ijmkers" enz. zonder nadere omschrijving niet geheel juist, omdat het doel van beide proeven niet hetzelfde is. Er moet dus gekozen worden en van harte hoop ik dat dhr. v. d. Broek ons niet zal teleur stellen.
Voorts wordt de cirkel van deelnemers wat nauw getroken. "Ervaren ijmkers, bekend met koninginneteelt." Ik zal dan de eerste zijn die er buiten moet gaan staan, want op geen van beide mag ik eenige aanspraak maken. Doch wordt dan de groep weer niet erg klein? Zoudt U met behulp van goede aanwijzingen, de punten van de passer wat wijder uiteen kunnen zetten?
En tenslotte, het deel van het wetenschappelijk terrein, waartoe de leer van Dr. Dzierzon behoort, is voor ons leeken, zonder deskundige voorlichting, vrijwel ontoegankelijk. Wat b.v. Dr. Zander er over schrijft is mooi, maar .... moeilijk en nog niet volledig. Dat was in 1910. Misschien is er nu reeds meer bekend. Daarom ben ik er ook zeker van, dat indien dhr. v. Hagendoorn, als zeer deskundig op dit terrein, bereid zou zijn in een populair gestelde schets, te plaatsen in het maandschrift, deze theorie voor ons nader zou willen behandelen, hij vele imkers aan zich zou verplichten, en de belangstelling voor de te nemen proeven niet weinig zou vergrooten. Zou dit mogelijk zijn? We hopen het.
B.o.Z.
G. TUKKER.
Waartoe we Dr. v. Hagendoorn vriendelijk uitnoodigen, terwijl we in 't Mei-no. eenige proeven hopen te publiceeren. Red.