HET VERVLIEGEN DER BIJEN.
(Vervolg.)
Het meest uitgebreide onderzoek over het vervliegen is verricht door Rauschmayer. Deze kreeg de volgende uitkomsten.
Drachtbijen vervliegen op een stal, die weinig optische oriëntatiemerken vertoont, in zeer hooge mate (tot 50 %) en tot op verscheidene meters afstand. Op een stal, die voldoende oriëntatiekenmerken bezit, vervliegen er maar enkele bijen. Als een paar kasten van een stal dezelfde kleur hebben, b.v. geel geschilderd zijn, vindt er een sterk vervliegen plaats van bijen uit zoo'n gele kast op de andere gele kasten en dit gebeurt ook nog als de afstand vrij groot is.
Hoeken van den stal, pijlers, verschillende hoogte van het vlieggat, vergemakkelijken de oriëntatie.
Jonge bijen vervliegen gedurende de oriëntatievluchten der eerste 4 dagen dat ze uitvliegen, zeer vaak, ook op die stallen waar de oudere vliegbijen, door een doelmatige kleur der kasten, den weg gemakkelijk terug vinden.
Rauschmayer onderzocht ook hoe men, bij dichte plaatsing der kasten, het vervliegen zooveel mogelijk kan tegengaan door den voorkant der woningen met verschillende kleuren te schilderen. Hij kwam daarbij tot de volgende conclusies.
Bij de oriëntatie gebruiken de bijen het meest de kleur, die onder het vlieggat aan den vertikalen wand van de kast of van den stal is aangebracht. Zij nemen daar ook kleuren waar, die zich op eenigen afstand onder het vlieggat, bevinden.
Minder sterk worden kleurvlekken waargenomen, die zich boven het vlieggat bevinden; zelfs op kleine afstand boven het vlieggat worden deze niet meer waargenomen. Kleine verfvlekken, die onder het vlieggat de oriëntatie nog vergemakkelijken kunnen, hebben op denzelfden afstand boven het vlieggat geen invloed meer. De kleur van een horizontaal geplaatst vliegplankje heeft voor de oriëntatie heel weinig beteekenis.
Voor de oriëntatie heeft ook de kleur en de vorm der nevenkasten beteekenis.
Rauschmayer besluit zijn onderzoek met de volgende adviezen voor den practischen imker.
Bijen vervliegen, vooral op groote stallen die geen duidelijke oriënteerings-kenmerken hebben, in buitengewoon groot aantal. Een snel overdragen van ziekten, het verlies van koninginnen, minder opbrengt door tijdverlies voor de zoekende bijen, maken het schilderen van de kasten in verschillende kleuren noodzakelijk.
De kleurvlekken moeten zoo groot mogelijk zijn en zoo dicht mogelijk bij de vliegopening worden aangebracht. Vooral de kleur onder het vlieggat moet bijzonder duidelijk zijn.
Als kleuren komen alleen geel, blauw, wit en zwart in aanmerking. Ook een combinatie van 2 dezer kleuren kan met succes toegepast worden. Alleen de combinatie wit-blauw moet vermeden worden. Het is het beste de kasten zóó te schilderen, dat linker- en rechterhelft van een kast verschillend van kleur zijn. Teekeningen, vlekken, figuren of andere versieringen in een zelfde kleur zijn ondoelmatig. Vormen leenen zich niet als oriëntatiemiddel.
De onderzoekingen van Otto (Otto. Verfliege-Beobachtungen der Schleswig-Holsteinischen Imkerschule. Schlesw-Holst. Bienenzeitung, 1928, Nr. 9.) komen vrij goed met die van Borchert en van Rauschmayer overeen. Otto nam o.a. deze proef.
Op 29 en 30 April 1927 merkte hij van een volk in een gele Gerstung-kast 2000 aan- en uitvliegende bijen. In den nacht van 30 April op 1 Mei ging hij met zijn stal op reis naar het koolzaad. De nieuwe standplaats was zeer mooi tegen den wind beschut. Bij het openmaken van de vlieggaten waren de bijen volkomen rustig en ze vlogen zich heel geleidelijk in. Dien eersten dag vertoonden zich echter voor alle kasten gemerkte bijen. De inrichting van een gedeelte van den stal was als volgt.

X: geel geschilderde Gerstung-kasten;
0: geel geschilderde Gerstungkast met de gemerkte bijen;
#: Gerstung-kasten van een andere kleur.
De kasten stonden in 1 rij en vlak tegen elkaar.
Op 3 Mei telden 6 waarnemers gelijktijdig hoeveel gemerkte bijen er gedurende een kwartier de gele kasten binnen vlogen. Dit aantal is in de schets in cijfers onder de gele kasten geplaatst.
Hieruit blijkt wel dat de kans op vervliegen, na een reis naar het koolzaad of naar de heide, heel groot is. Otto vond zelfs bij een andere proef, ook na een reis genomen, dat er van de reeds ingevlogen bijen, 100 in de eigen kast en 125 in de er vlak naast staande kast van dezelfde kleur terecht kwamen.
Hij verklaart dit dat door het eene volk veel sterker was dan het andere. Deze zelfde meening, dat een sterk volk meer vliegbijen ontvangt van het er naast staande zwakke volk dan omgekeerd, treffen we op verschillende plaatsen aan. Borchert heeft dit door Dennert laten onderzoeken en hij vond dat dit inderdaad voorkomt, doch in heel geringe mate.
Zoowel Otto als Rauschmayer hebben eenige waarnemingen kunnen doen over het vervliegen bij korfvolken, doch hier bleek dit heel gering te zijn.
Verschillende Duitsche imkers hebben een zekere vrees voor wit geschilderde kasten. Deze witte kasten zouden namelijk veel meer bijen verliezen dan die van andere kleur. De oorzaak hiervan wordt echter niet alleen in het vervliegen gezocht; wit geschilderde kasten kunnen, als ze in de zon staan, heel warm worden en het felle licht, dat ze terug kaatsen, zou de bijen afschrikken.
Nu wij de ervaringen over het vervliegen der bijen op Duitsche stallen hebben leeren kennen, doet zich de vraag voor in hoeverre wij het vervliegen kunnen verwachten op onze Nederlandsche stallen en of wij de raadgevingen van de Duitsche onderzoekers, zonder meer, over moeten nemen. Ik geloof van niet. Wij hebben, in het algemeen, een veel ruimere opstelling der volken dan de Duitschers. En hunne onderzoekingen wijzen er alle op dat, als een stal maar wat meer teekening vertoont, het vervliegen heel gering is. Ik geloof dan ook niet dat in ons land het vervliegen van groote, practische beteekenis is. Misschien is het van invloed op de verspreiding van Nosema.
Tegen het vervliegen van jonge koninginnen neemt de practijk reeds maatregelen door de bevruchtingskastjes zooveel mogelijk afzonderlijk op te stellen en dan liefst nog niet op den gewonen stal. En ieder ervaren imker weet dat men in den tijd, dat er jonge koninginnen te bevruchten zijn, voorzichtig moet zijn met het aanbrengen van veranderingen op den stal en na den middag niet te veel voor den stal moet heen en weer loopen. In ons land komt het schilderen van kasten in bepaalde kleuren en met het doel om het vervliegen te voorkomen, betrekkelijk weinig voor. Aan onze Oostelijke grens vinden we hier en daar stallen, die veel op de Duitsche gelijken en waarvan de woningen dan ook heel verschillende kleuren vertoonen.
Wij zoeken het vervliegen zooveel mogelijk te voorkomen door vorm, niet door kleur en ik geloof dat dit ook verreweg het beste is. Een paar steenen voor den stal, hier en daar een plankje of iets van dien aard en de eentonigheid is gebroken. Vele imkers is dat echter niet naar den zin. Die willen een prachtige rij van mooi in het gelid staande korven of kasten; er mag geen strootje verkeerd liggen! Die menschen moeten echter bedenken dat zij zelf, als ze in een moderne lange straat een bepaald huis moeten zoeken, dikwijls het huisnummer te hulp moeten roepen om den weg te vinden.
Het schilderen der korven in bepaalde kleuren vinden we vrij veel in Drenthe.
De Drentsche imkers gebruiken meestal roode, gele of blauwe verf.
Op lange stallen kan dit zeker goede invloed hebben. Maar voor kleine imkers, die er maar een paar kasten op na houden, kan het schilderen in verschillende kleuren, naast voordeelen, ook nadeelen opleveren. Het volgende voorbeeld moge dit duidelijk maken.
Iemand heeft 3 groen geschilderde kasten van denzelfden vorm. Hij wil nu zijn stal uitbreiden tot 4 en schildert zijn nieuwe kast geel. Zoodra een der groene kasten zwermrijp is, maakt hij van dat volk een vlieger; hij hangt een raampje met broed, honing en bijen, met de koningin, uit het zwermpje volk in de nieuwe, gele kast en plaatst die op de plek waar de groene gestaan heeft. Maar nu zullen de vliegbijen slechts voor een klein deel in de gele kast willen trekken; ze zijn die gele kleur niet gewoon en zoeken de haar bekende omgeving weer op.
Wil men een blauwe korf, die tusschen niet geschilderde staat, laten afvliegen, dan moet men hem een heel eindje verplaatsen, anders weten de vliegbijen het netjes terug te vinden.
Dit vasthouden aan een bepaalde kleur komt echter ook wel bij ongeschilderde korven voor. Plaatst men een jager uit een oude korf, die zelf op een spiksplinternieuwe korf gedaan is, tusschen andere oude stokken op den stal, dan zal hij sterk afvliegen op die oude korven.
Een gevaar voor het vervliegen op groote schaal zien zoowel de Duitsche als de Nederlandsche imkers in het plaatsen van een stal vlak voor een andere, die er heel veel op gelijkt. Als er dan zware dracht is, kan men zien dat de volgeladen bijen van den achtersten stal, die eigenlijk over den voorsten moesten vliegen, op den voorsten stal terecht komen.
Tenslotte nog enkele opmerkingen over het vervliegen der bijen onder invloed van den wind. Het zal wel duidelijk zijn dat het vervliegen vooral voorkomt bij bijen, die nog niet heelemaal ingevlogen zijn. Bij het reizen naar de heide of naar andere plaatsen is dus de kans op vervliegen de eerste dagen het grootst. Treft men nu die eerste dagen op de nieuwe standplaats, als de stal niet erg beschut ligt, sterke wind, dan vliegen veel bijen tegen den wind op en komen dus terecht aan den windkant van den stal.
Toen ik een bekend korfimker eens naar diens ervaringen op dit gebied vroeg, vertelde hij mij het volgende. Hij had eens een stal jagers op flinken afstand van huis geplaatst, onder een smacht en op een lange rij. De eerste dagen vlogen de bijen zeer sterk, bij harden wind.
Het gevolg was dat de korven aan den windkant heel sterk werden en aan den tegengestelden kant vlogen ze geheel kaal.
Dit was zoo sterk, dat hij zijn jagers spoedig naar huis moest halen om volop gelegenheid te hebben ze weer ongeveer even sterk te maken.
In ons land komt in den heidetijd de wind meestal uit zuidelijke richtingen; daarom is de kans dat de meeste bijen terecht komen aan den N.-Z. staande stallen, het grootst. Verschillende groote imkers houden daar rekening mede door hun zwakste volken aan den zuidkant van den stal te plaatsen en hun sterkste aan den N-kant.
Een vervliegen van reeds ingevlogen bijen met den wind mee, schijnt echter ook voor te komen. Muck deelt hierover het volgende mede. Ik was eens in de gelegenheid om bij goede dracht en gelijkmatige wind een bijenstand te bezoeken (in Oostenrijk). Op een akker bij een boekweitveld stonden 816 volken op een lange rij. Op den hoek van den stal, waar de wind vandaan kwam, weinig bijen. Aan den tegenovergestelden kant van den stal echter een ongewoon groote massa bijen. Bij het laatste volk lagen de bijen, zwaar geladen twee vingers dik op den grond, tot op verscheidene meters afstand. De laatste 15 volken zaten onder de bijen bedolven. Aan sommige leek wel een zwerm te hangen.
Hoewel ik niet geloof dat dergelijke gevallen in ons land voorkomen, ligt er toch een aanwijzing in om niet te lange stallen te maken. Men plaatse, als het mogelijk is, zijn volken ook niet direct tegen die van een andere eigenaar aan.
Op een lezing, die ik over dit onderwerp hield, deelde een der aanwezigen mij mede, dat hij had opgemerkt dat op een stal van 6 kasten, waarop hij twee koninginnen door Italiaansche vervangen had, er later veel meer Italiaansche bijen in zwarte volken terecht kwamen dan omgekeerd. Dit zou er dus op wijzen dat de Italiaansche bijen sterker vervliegen dan onze inlandsche.
A. MINDERHOUD.
