Verdere ervaringen van honigkuren bij kinderen
in het Kinderheim Frauenfelder in Amden Zwitserland.
Op een voordracht van 6 Augustus 1932 te St. Gallen zeide med. Dr. Paula Emrich het volgende. Toen ik in 1923 in die Schweiz. Bienenzeitung mijne ervaringen met honigkuren bij kinderen mededeelde, had ik geen flauw vermoeden, dat dit bericht zooveel belangstelling zou ondervinden. Uit alle landen kwamen aanvragen om nadere berichten te geven over de details van deze honigkuren. Nu 9 jaren voorbij zijn gegaan acht ik mij bekwaam hierop terug te komen. De veronderstelling dat honig een vitamine zou bevatten is door latere onderzoekingen niet bevestigd, zoodat deze verworpen moet worden. Intusschen, al ontbreekt een vitamine, toch moet er in honig een stof aanwezig zijn, die invloed heeft op de vorming van haemaglobine in het lichaam der menschen. Uit haar collegies over gerechtelijke geneeskunde herinnerde zij zich, dat de Professor eens opmerkte als men gas ruikt en toch ziet dat alle gaskranen gesloten zijn, dan zal men niet zeggen, neen, het ruikt niet naar gas; maar integendeel de geheele gasleiding nazoeken naar een verborgen defect. De taak blijft dus over nader aan te kunnen geven het agens, dat invloed heeft op het haemaglobinegehalte van het bloed.
De honig wordt gegeven in lauw warme melk en wel in stijgende doses van een tot twee eetlepels tweemaal per dag. Absoluut noodzakelijk is het zuivere bijenhoning te geven, deze veroorzaakt nimmer prikkeling, en werd door alle kinderen goed verdragen. Een grootere doses geeft wel eens aanleiding tot zuurvorming. Dr. Krauthammer heeft microscopisch den stoelgang onderzocht en daarbij gevonden, dat opgeloste honig (in melk) beter assimileert dan enkel honig bijv. op brood. Opvallend is de invloed van honig op het algemeen welzijn der kinderen. Voor vergelijkende onderzoekingen was gelegenheid in 1929, toen kwamen 800 kinderen in behandeling in groepen van 60 tot 120 op één dag. Hierdoor was het mogelijk twee groepen van 12 kinderen samen te stellen, die zooveel mogelijk in leeftijd en toestand overeen kwamen. De eene groep kreeg wél, de andere groep géén honig. Hierdoor werd de mogelijke bijzondere invloed van voeding en een hoogere luchtstreek uitgeschakeld; want deze was voor beide groepen gelijk. De sterkere stijging van het haemaglobinegehalte werd alleen aangetoond bij die kinderen, welke ook honig was gegeven. Gemiddeld is er in een maand bij voeding ook met honig een toename van 12% van het gehalte aan haemaglobine.
L.J. VAN RHIJN.