PRACTISCHE ERVARINGEN.
Lichtkastervaringen.
In één van onze laatste „Groentjes" schreef de heer Oonk, als antwoord op een aan hem gedane vraag omtrent gebruik en resultaat van de lichtkast, dat misschien wel eens iemand van zijn ervaringen bescheid zou willen doen, waartoe ik thans — in alle bescheidenheid — overga.
Door verhalen, en niet in het minst door hetgeen ik had gelezen van experimenten met de lichtkast in Rusland, waar vooral de geweldige voordeelen tegenover de "donkere" kast werden opgesomd, besloot ik tot aanschaffing van zoo'n kast over te gaan, en ook eens van de geweldige opbrengsten te profiteeren.
Echter wilde ik tegelijkertijd eens nagaan of die voordeelen er wel waren en zoo ja, ook zoo duidelijk in het oog sprongen. Daartoe plaatste ik mijn lichtkast naast een W.B.C.kast. Beide kasten werden uitgerust met 10 raampjes met heele vellen kunstraat, waarna op denzelfden avond, begin Juli 1930, op iedere kast een voorzwerm, die ik had laten komen, werd geslagen.
Na twee dagen werd per dag een pond suikerstroop gevoerd, waarna bleek dat de W.B.C, na verloop van 14 dagen alle raampjes had uitgebouwd tegenover de lichtkast 7. Ook zat de W.B.C, beter in z'n broed. Verder bleek na eenigen tijd, dat de W.B.C, het op de witte klaver belangrijk beter had gedaan dan de lichtkast. Dit waren echter slechts voorloopige waarnemingen, die wij niet te zwaar zullen doen wegen.
Voor de inwintering werden beide kasten voorzien van de gebruikelijke plm.7½ K.G. suiker, gelijk toegedekt en met rust gelaten.
Het begin van Februari 1931 gaf een goede reinigingsvlucht van beide kasten te zien en dit was tevens de laatste maal dat ik het lichtkastvolk, tenminste levend, zag. Omstreeks half Maart constateerde ik dat dit volk dood tusshen de raten hing zonder een korrel voer. Dit was de eerste, en naar ik hoop, tevens de laatste keer, dat één mijner volken verhongerde en thans nog denk ik dikwijls aan het geval, waarvoor ik nooit een oplossing heb kunnen vinden, temeer, waar na een ijlings ingesteld onderzoek bleek, dat de W.B.C, niet alleen zeer ruime voorraad had maar ook al open broed.
Zoo eindigde dus dit eerste experiment vrij onverwachts.
Begin Juni 1931 werd opnieuw een voorzwerm op de kast geslagen die op 2 Augustus weer een zwerm gaf. Toendertijd constateerde ik ook dat de wasmot, juist in dit volk, welig tierde en hoewel ik geregeld 2 soms 3 maal per week alle larven uitving, niet was uit te roeien.
Een nazwermpje half Augustus op de toen leeggemaakte en uitgezwavelde kast geslagen, had, ondanks dat het slechts op een viertal raampjes zat, op 28 September een gesloten moerdop met een bijna volwassen koningin die ik natuurlijk ijlings uitbrak. Het volkje was moergoed en vertoonde een regelmatig broednest. Ook het volgende jaar is mij bij deze moer niets bijzonders opgevallen.
In den loop van het jaar 1932 werd het volkje met raampjes gesloten broed regelmatig versterkt met als gevolg — ondanks het op tijd toepassen van de omhangmethode — een zwerm.
(Begin Juni). Het volk werd daarna in een W.B.C kast gehangen, die op de plaats der lichtkast gezet en de zwerm na het uitbreken der doppen weer op het volk geslagen. Toen na onderzoek bleek dat nieuwe doppen waren aangezet, werd de moer uitgevangen en de doppen na 6 dagen allen op een na uitgebroken. Dit volk gaf een vrij goede honingopbrengst.
Vóór het aanvangen van de reis naar het Koolzaad in de Wieringermeerpolder op 30 April 1933, werd 24 April de lichtkast wederom van een volk voorzien dat op 10 ramen zat met op 6 daarvan broed en een jonge moer. (Dank zij vroeg voeren, hetgeen het mooie weer van Maart en April dit jaar veroorloofde, waren de volken in uitstekende conditie).
Met de lichtkast reisden van mij nog 8 volken in W.B.C.- en Simplexkasten naar het koolzaad. Bij controle op 14 Mei bleek, dat alle volken reeds flink hadden gehaald, alleen de lichtkast .... wilde weer zwermen. Had gesloten moerdoppen. Ondanks alle pogingen tot verhindering bleek het volk 14 dagen later gezwermd te hebben, terwijl de voorzwerm verloren was gegaan.
Het verschil van toestand tusschen de lichtkast en de andere kasten was zoo opvallend (in het nadeel der lichtkast) dat een der mij vergezellende imkers, onmiddellijk bij het openen de opmerking maakte: "Ik geen lichtkast."
Nadat ik er reeds aan had gewanhoopt, bleek de jonge moer op 2 Juli toch bevrucht te zijn, terwijl het volk thans in goede staat verkeert, echter weer achter is bij de andere volken die dit voorjaar omstreeks denzelfden tijd, ook gezwermd hebben.
Uit een en ander zal den lezer blijken dat mijn bevindingen niet zoo rooskleurig zijn als men wel elders verneemt. Misschien is een ander gelukkiger geweest?
C.J. S.