DE BIJENTEELT IN AMERIKA IN CRISISTIJD.



In het Julino. van den Practischen Imker vertelt de heer L. J. van Rhijn een en ander over de bijenteelt in Amerika dat menigen imker, die dat leest zou kunnen doen watertanden. Aan een overzicht van Mr. Mammelle een der meest vooraanstaande Fransche geleerden op het gebied der bijenteelt, ontleent hij zijn gegevens die wel in staat zijn den lezer met verbazing te vervullen. Een oogst — zoo heet het b.v. — van 15 tot 30 duizend K.G. van een beroepsimker met 5 tot 600 volken is dan ook geen zeldzaamheid. Hij zag twee bijenhouders die gemiddeld ieder jaar 45000 K.G. slingerhoning wonnen, enz.

Mogelijk dat bij meer dan één, met zulke getallen voor oogen, gevoelens opkomen, waartegen het geweten moet protesteeren met een zacht gefluisterd: gij zult niet begeeren uws naasten (des Amerikaans) honingoogst. De schrijver kwam er zelf ook van onder den indruk en eindigt met de verzekering: „Een bekwaam imker kan op een bijenstand in Amerika goed zijn brood verdienen". Wanneer hij hierbij soms de betrekkelijk weinigen op het oog heeft, die op een grooter bijenstand in dienst zijn en daar — het dient er bijgevoegd — zeer velen soms zwaar werk moeten verrichten ofschoon het minstens aan twijfel onderhevig is of de loonen nog op peil zijn gebleven, kan dit misschien waar zijn. Maar in geen geval geldt dit voor den eigenaar, den beroepsimker zelf. En om verkeerde gevolgtrekkingen te voorkomen, acht ik het niet ondienstig eens de keerzijde der medaille te doen zien in den diep ellendigen toestand waarin zeer velen hunner verkeeren. Zeker voor de bijen is het een paradijs. Voor ons begrip ongelooflijk groote oogsten worden binnengehaald, maar de imker, ten wiens behoeve en bate de bijen werken, dreigt met dit al ten gronde te gaan.

In het no. April, Mei, Juni en Juli van het orgaan der Vereeniging voor Bijenteelt in het departement des Alpes-Maritimes (Alpes bij de zee), dat de redacteur Pere Baldens .(Vader Baldens)" met wie wij in Berlijn kennis mochten maken en met wien ik deze zeer aangename kennismaking verleden jaar mocht voortzetten eerst in Nice, waar hij woont, en later op het congres te Parijs) zoo vriendelijk is mij geregeld toe te zenden, komt een artikel voor van de hand van Victor Damas, waarin die keerzijde maar al te duidelijk wordt geschetst. Het is getiteld (vertaald): een jaar onder de beroepsimkers in de Vereenigde Staten naar een evenzoo genoemd boek of brochure van de hand van den Heer J. Chaneaux bijenhouder te Arsures in de Fransche Jura. Ook hij verhaalt eerst van die geweldige oogsten, van de prachtige outillage waardoor het mogelijk is dat één helper van een leeftijd van 60 jaar alleen in een enkel seizoen 70.000 K.G, kan slingeren.

Maar dan volgt dit: „De eigenaar, een beminnelijk mensch en bekwaam bijenhouder was letterlijk verpletterd door het gewicht van een hypotheek van f 62.500 tegen een rente van 10%. Toen hij zijn stand inrichtte had hij er op gerekend dat de honing een prijs van 55 cts. (per K.G.) zou blijven opbrengen, wat hem een flink overschot zou geven. Maar door de deflatie en het zakken van den prijs tot 30 cts. kon hij zijn schuld niet aflossen en was hij geheel en al afhankelijk geworden van de banken. Zeker, alle hulpmiddelen zijn ter hand genomen, die de moderne techniek verschaft: eectri,citeit, stoom, auto's enz. enz. En het is gelukt daardoor werkkrachten uit te sparen en mede door de moderne methoden van bijenteelt het dubbele, soms driedubbele te verkrijgen van den vroegeren oogst. Maar aan één ding heeft men niet gedacht, dat dit spaak loopen zou, en spaak loopen moest wanneer er geen of geen voldoende afzetmarkten meer zouden zijn. De heei van Rhijn geeft op, dat gemiddeld 120 millioen K.G. honing jaarlijks ginds wordt gewonnen. De heer Baldensperger noemt zelfs 200 millioen. Duidelijk is dat deze geweldige productie is ingesteld op uitvoer. Maar terwijl hier van elders, Cuba, Guatemala, Nieuw-Zeeland vooral duchtige concurrentie kwam, werd in vele landen — uit zelfbehoud — door zeer hooge invoerrechten de invoer vrijwel onmogelijk gemaakt, terwijl elders tegen zulk een lagen prijs moest worden verkocht, dat met verlies moet worden gewerkt. Hooren wij slechts wat M. Chaneaux zegt:

„Als men met dit alles rekening houdt, ziet men aanstonds, dat huns ondanks of zonder dat zij het zelf weten, een groot aantal bijenhouders werkt met verlies". Zij die er het best aan toe zijn omdat zij zonder tusschenpersoon hun honing kunnen verkoopen, kunnen 60 a 80 cts, voor het K.G. bedingen. En dit gaat nog, maar het meerendeel der groote ondernemingen is gevestigd in weinig bevolkte streken, waar de bevolking onmogelijk den honing consumeeren kan. Dus moet deze worden verzonden soms 1000,2000 zelfs 3000 K.M. ver naar een zoogenaamden „packer" (expediteur), vandaar naar den groothandelaar, dan door middel van reizigers en agenten naar de kruideniers en dan komt de honing eerst bij den gebruiker. Deze betaalt f 1 a f 1,20 voor het K.G. terwijl de imker 25 a 30 cts. voor het K.G. krijgt. Sommigen naar Chaneaux zegt te weten, zelfs niet meer dan 19 cts. en dit voor honing van de allesbeste kwaliteit!

De groot-imker, die zijn prachtige, de bewondering afdwingende installatie zich heeft aangeschaft, met geleend kapitaal, gaat al werkende en groote oogsten winnende, met ontwijfelbare zekerheid zijn ondergang tegemoet. Want hij werkt met verlies! Duizenden beroepsimkers zitten diep in de schuld. Geld om renteen aflossing te betalen hebben zij niet, zoomin als om te vernieuwen en aan te vullen, hoe dringend noodig dat ook moge zijn.
Neen reden om hen te benijden hebben wij waarlijk niet en de Amerikaansche methoden van werken in het groot met tal van machines maar .... met geleend geld, lokt niet tot navolging uit. En de imker, die met eigen geld werkt? Natuurlijk verkeert hij niet in zulk een noodtoestand, maar intusschen is hij bezig zijn kapitaal al werkende te verliezen.
Of dit soms benijdenswaardig is?

En misschien kan het ons tenslotte tot troost zijn, dat men zelfs in het land van Ford, het land van machine en techniek, er nog geen middel op gevonden heeft om den imker door den weg naar den verbruiker te verkorten, grooter deel te geven in den opbrengst.
A. VAN DER FLIER.