PROGRAMMA VOOR HET EXAMEN IN BIJENTEELT.


te houden vanwege
De Vereeniging tot bevordering der Bijenteelt in Nederland.

Het examen omvat de kennis van het leven en de behandeling der bijen, van de producten, hunne behandeling en afzet en van die gedeelten der planten dierkunde, welke als hulpwetenschap voor het eigenlijke vak kunnen worden beschouwd.
Het examen bestaat uit een schriftelijk en mondeling en een practisch gedeelte-Om te slagen moet de practijk voldoende zijn.
Schriftelijk moeten de candidaten hunne denkbeelden in behoorlijke taal, stijl en schrift kunnen uitdrukken, mondeling moeten zij op duidelijke wijze hunne kennis kunnen mededeelen.
Zij moeten niet slechts voldoende theoretische kennis bezitten, maar vooral ook practisch kunnen omgaan met bijenvolken en de meest gewone vormen van bijenwoningen, zoowel vaste als losse bouw.
Als regel wordt slechts in enkele der vakafdeelingen schriftelijk werk opgegeven. De vakken bij het mondeling examen behandeld, zijn:

A. Hulpwetenschappen.
1. Bouw en verrichtingen van het insectenlichaam in het algemeen.
2. De wijze van voortplanting.
3. Verdeeling in hoofdgroepen. De lichaamsbouw der vliesvleugeligen en in 't bizonder der bijen, zoowel in- als uitwendig. Hierbij blijke, dat de kennis zooveel mogelijk door eigen aanschouwing is verkregen. Latijnsdie benamingen worden niet vereischt.
4. Wijze van voortplanting der bijen en het verschil der sexen, zoowel in bouw als ontwikkeling.
5. Beteekenis van verschillend voedsel voor het leven der bijen.
6. Wasproductie.
7. Kennis van de voornaamste honig- en stuifmeelgevende gewassen (wilde en cultuurplanten), hun bloeitijd, inrichting voor bestuiving en de wijze waarop de bijen stoffen uit de bloemen halen.

B. De Bijenvolken, hunne levensverschijnselen en behandeling.
1. Kennis der voornaamste rassen en de middelen tot verbetering, hetzij door kruising of door verbetering in het ras zelve.
2. De verhouding der bijen van één volk en van verschillende volken onderling
3. Het zwermen (natuur- en kunstzwermen).
4. Koninginneteelt.
5. Behandeling der volken, ook in bizondere omstandigheden.
6. Voederen en vereenigen van volken.
7. Inwinteren.
8. Het waarnemen, voorkomen of verbeteren van verkeerde toestanden en gebreken in de kolonie.
9. Het houden van aanteekeningen omtrent den stand der volkenen het gewin, (Boekhouding).
10. Vijanden en ziekten; bestrijding en voorkomen.

C. De bijenwoningen en de gereedschappen ter behandeling der volken. Het reizen.
1. Stabiel- en mobielbouw in verschillende systemen, met hunne voor- en nadeelen en wijze van behandeling.
2. Grondige kennis van minstens eene mobielwoning of kast.
3. Het vervaardigen der woningen.
4. Materiaal daarvoor.
5. Bijenstallen in verschillende systemen, hunne plaatsing.
6. Gereedschappen voor het behandelen der volken en het vervaardigen en herstellen der woningen.
7. Het reizen met zijn voorzorgsmaatregelen.
8. De hoofdpunten der ontwikkelingsgeschiedenis van de bijenteelt.

D. De producten (Handelsgedeelte).
1. Het winnen en bereiden der producten en de gereedschappen daarvoor.
2. Honing, was, honingdranken.
3. De yervalschingen en het onderzoek daarvan.
4. Honingsoorten, hare eigenschappen en waarde.
5. Bereiding van kunstraat.
6. De afzet der producten, wijze van verpakking en verzending Coöperatie. Markten.
7. Handelshuizen voor producten, gereedschappen, woningen en bijen.
8. Boeken en Tijdschriften. (Overzicht der litteratuur).

Bij de aanmelding voor het examen moet 10 gulden worden gestort; na het afleggen van het examen wordt 5 gulden teruggegeven.
Dr. Mr. A. v.d. FLIER, Voorzitter,
JOH.A. JOUSTRA, Secretaris.