SUIKERVOEDERING.


Nabetrachting — Thijm en Kamillenthee — Oude wijsheid in plantennamen.

Nog niet zoo heel lang — stellig geen eeuw — geleden was in deze streek, nl. in de omgeving van de residentie, de bijenteelt ongeveer volslagen onbekend en ook thans wordt er niet bijzonder veel aan gedaan en dat nog slechts gemeenlijk door amateurs, wien het minder om gewin dan om interessante bezigheid gaat. Niet dat de streek zoo slecht is en dat we niet wel eens een heel goeden oogst binnenhalen — als dit jaar b.v. van een volk zestig pond honing — doch er moet te veel nadruk gelegd worden op „wel eens", voor een beroepsimker is de dracht te onbetrouwbaar. Een goede uitwintering vooropgesteld, valt er, indien de goden van wind en koude niet al te boosaardig gestemd zijn, van de vruchtboomenbloei nogal te profiteeren, maar op de linde valt niet veel te rekenen, terwijl er tusschen fruit en linde een lastige drachtpauze komt. Na de linde is voor ons het seizoen nagenoeg afgeloopen, zoodat zeer dikwijls reeds midden in den zomer de suikervoedering begint, om het broednest lang genoeg op peil te houden.

Wie nu volken op zijn stand heeft, die slechts „zoo tamelijk" sterk zijn, ervaart wel eens, dat verschillende daarvan de suiker niet aannemen dat niets hen van gedachten doet veranderen, zelfs niet vereeniging van twee kolonies tot eene sterke. Logisch volgt hier uit, dat geringe getalsterkte niet de oorzaak, althans niet de hoofdoorzaak kan zijn van het verschijnsel. Dit volgt ook alreeds hier uit, dat soms een bepaald volk geen suiker wil nemen, terwijl een ander, nog zwakker, het wel doet.
Dezer dagen deed een opmerking in een verhandeling van den Duitschen geleerde R. Steiner mij een oplossing aan de hand, die zeer eenvoudig is en dus kans heeft juist te zijn.

De suiker, die in nectar en honing aanwezig is, heeft andere eigenschappen dan de rietsuiker. In den winter moeten de bijen de suikerstroop, haar tot voedsel verstrekt, tijdens de spijsvertering in een soort van honing omzetten, daar zij zonder dezen overgang van de rietensuiker geen bijenbloed kunnen vormen. En ge kunt u voorstellen, zegt Dr. Steiner, dat dit wezenlijk een procedure is, waartoe grootere kracht behoort, dan wanneer men de bijen met honing voedert. Dan behoeven zij de kracht niet aan te wenden, in haar inwendig organisme de suiker in honingte veranderen. Wat voor bijen zullen het nu zijn, die op ruime schaal in zichzelf de suiker tot honing terugbrengen? Dat zullen alleen de sterke bijen zijn, de zwakke zullen er niet toe in staat zijn.

Dat is ongetwijfeld juist. Maar dan ligt het ook voor de hand, dat de bijen, die in het najaar weigeren suikerstroop in hare raten op te zamelen, lichamelijk zwakke bijen zijn, die in den winter de kracht niet zullen bezitten, zich met de suiker te voeden en die instinctmatig weten, dat die stroop iets is, waaraan zij voor voeding toch niet veel hebben en dat dus niet goed voor haar is.
Het zal misschien mogelijk zijn, zulke bijen door het toedienen van honing in leven te houden en een enkele maal kan dat ook wel zijn nut hebben, nl. als een ander volk in den winter moerloos wordt. Men kan dan in het voorjaar vereenigen. Zoo spoedig mogelijk moet echter de koningin door een betere vervangen worden, want uit het voorgaande volgt rechtstreeks, dat van een suiker-weigerend volk de moer niet deugt: zij brengt zwakke nakomelingen voort.

Veelal maken wij voor de bijen de suikervertering iets gemakkelijker, door aan
de stroop een weinig azijn toe te voegen, waardoor de riet-(of biet-) suiker wordt geïnverteerd. In dezelfde verhandeling van dr. Steiner vond ik een recept voor suikerstroopbereiding, dat mij nieuw was en vermoedelijk ook niet allen lezers van het Groentje bekend is:
Men neme op 5 KG. suiker 4 K.G. water en voege daar bij, inplaats van azijn, een scheut kamillenthee, een beetje thijm en een snufje zout.
Dit is een natuurlijker samenstelling. De kamillenthee bevat nl. een bestanddeel, dat niet alleen in de kamille, maar ook in alle honinggevende planten aanwezig is en dat dienst doet om zetmeel in die planten om te zetten in honing. Ook de rietsuiker wordt er min of meer door in honing veranderd, zoodat de bijen voor dit werk niet meer haar spijsverteringsorganen behoeven in te spannen.

Het zout wordt bijgevoegd op den algemeenen grond, dat zout een zelfstandigheid is, die allerlei onverteerbare voedselbestanddeelen verteerbaar kan maken. Het is trouwens bekend, dat de bijen haar behoefte aan zout aantoonen door b.v. van mestwater te drinken.
Waartoe de thijm dienstig is, vertelt dr. Steiner niet. Vermoedelijk ook op een algemeenen grond, nl. dat thijm een algemeen, zuiverende en dus versterkende werking heeft. (Overigens heeft de thijm verschillende bestanddeelen met de kamille gemeen, zoodat hier beide tot zekere hoogte in dezelfde richting werkzaam zijn.)
Dit ligt trouwens reeds opgesloten in den naam van het kruid, dien het van de oude Grieken heeft ontvangen en die „kracht" beteekent. Het gebeurt wel meer, dat het bestudeeren van plantennamen oude wijsheid aan den dag brengt.
BERCKENKAMP.