Wenken voor beginnende kastimkers.

December is voor vele menschen de maand om nog eens te overdenken, wat liet afgeloopen jaar hen bracht. Voor ons als imkers is het een zeer wisselvallig jaar geweest.
Door een zeer gunstige voorjaarsontwikkeling (wilg, fruit, paardebloem) met goede dracht op het koolzaad voor hen die naar de klei reizen waren de volken omstreeks half Juni prachtig in conditie, veel bijen, een flink broednest en een ruime voedselvoorraad; toch volgde voor de meeste deelen van ons land hierop een vrijwel mislukte zomerdracht op de klaver met als als gevolg zeer veel zwermneigingen. Een uitzondering ten goede vormen hier de provincies Noorden Zuid-Holland, waar, vooral langs de kust vrij veel honig gewonnen is; midden Friesland (Bolsward Sneek) moet hieraan nog toegevoegd worden. Ook daar, waar nog veel korenbloemen (Blauwbloem) voorkomen — Geldersche Achterhoek, Hengelo (Gld.) Hummelen, Zelhem — was de oogst vrij goed.

Vele imkers vragen zich af, waardoor deze mislukking werd veroorzaakt, daar ons deze zomer toch zeer veel zonneschijn met droog en warm weer bracht. Volgens mijn meening zal het hieraan liggen, dat we dezen zomer zeer weinig van dat echte hondsdagenweer — bedekte lucht, met zoo nu en dan even zon, hooge vochtigheidsgraad van de lucht en broeiend warm — hebben gehad, hetwelk juist klaver en linde voor een goede dracht noodig hebben. Deze zomer was het meest stralende zonneschijn met schrale Noorden- en Noord-Oosten wind.

Ook de heide was zeer verschillend, in groote trekken zou men kunnen zeggen: Drente was vrij goed tot goed, de Veluwe was tamelijk slecht, de Pee! was goed. In het algemeen was de dracht op de heide aanvankelijk slecht, waardoor de koningin de uttgeloopen broedcellen niet opnieuw belegde en de bijen later, toen de dracht beter werd. hier den honig gingen opbergen. Vandaar, dat vele volken, toen ze van de heide kwamen wel een flink gewicht hadden, doch geen raathonig opleverden. Zeer duidelijk was dit verschijnsel waar ie nemen aan de korven, daar deze over het algemeen zeer weinig of in het geheel niet gebouwd hadden.
Deze opgaven over de dracht moeten natuurlijk zeer in het algemeen worden opgevat, zeer zeker zullen in de genoemde streken uitzonderingen of afwijkingen ten goede of ten kwade gevonden worden.

De inwintering is door het zachte en constante weer in het najaar overal zeer gunstig verloopen. Doordat eerst zeer laat nachtvorsten opgetreden zijn, hebben de bijen het toegediende voedsel zeer vlot kunnen ophalen en verzegelen, ze hebben zeer lang broed kunnen houden, waardoor nog vele jonge bijen geboren werden, terwijl ze tenslotte door het zachte weer overdag nog zeer veel konden vliegen, zoodat de winterzit wordt verkort en de kans op roer, die door de suikervordering toch al gering is, tot een minimum wordt teruggebracht.

Een enkele keer komt het voor, dat de bijen van een stal, die het vliegfront naar het Noorden of Oosten gericht heeft in het voorjaar roerverschijnselen vertoonen. (Onze ervaringen zijn, dat z.g.n „Noordvolken" eerder roervrij blijven dan zgn. Zuidvolken. Red.) Het verdient aanbeveling dergelijke stallen gedurende de wintermaanden dus vooral in December en januari door middel van riet- of stroomatten tegen de felle Noord-Oosten en Oostenwinden te beschutten. Men plaatse deze matten zoodanig, dat ze bij goed dus zonnig en zacht weer, kunnen worden neergelegd om de bijen in de gelegenheid te stellen zoo spoedig mogelijk uit te vliegen.

Bij sneeuwval verwijdert men de sneeuw voor de kasten over een strook ter breedte van 1 a l ½ Meter, terwijl men bij buitenstaande kasten de vliegplanken
van sneeuw vrijmaakt. Door deze sneeuw kan namelijk de lucht gevaar komen, wanneer na dooi weer opnieuw vorst invalt, waardoor de gedeeltelijk gesmolten sneeuw tot een harde korst bevriest en de vlieggalen kan afsluiten of verstoppen. Ook door doode bijen kunnen de vlieggaten soms geheel of gedeeltelijk verstopt geraken. Het verdient daarom aanbeveling met behulp van een omgebogen stuk stevig ijzerdraad deze doode bijen voorzichtig te verwijderen. Overigens late men zijn bijen met rust, totdat ze door de natuur zelf weer tot nieuw leven geroepen worden.

Een zeer nuttige bezigheid voor de winteravonden is liet verzamelen en ordenen van gedurende den zomer gemaakte aantekeningen. juist door liet samenstellen van een overzicht met behulp van deze aanteekeningen, kunnen we een beter inzicht krijgen in de drachtverhoudingen in onze streek en de hoedanigheden en eigenschappen van onze volken, terwijl dit inzicht ons een volgend jaar tot richtsnoer onzer handelingen kan dienen en wel in het bijzonder bij de keus der volken, waarvan we onze koninginnen moeten voortkweeken.

Tenslotte wil ik nog wijzen op het nut van een gezond vereenigingsleven. Bezoek de vergaderingen en lezingen, die door het Bestuur van Uw afdeeling worden uitgeschreven. Tracht enkele praatavonden te organiseren. Hierbij verdient het de voorkeur, dat een der leden over het een of andere onderwerp (b.v. het drijfvoeren, het zwermen, het behandelen van honig, koninginneteelt, het inwinteren enz. enz.) een korte inleiding houdt, waarop dan over dit onderwerp de eigenlijke praatavond kan volgen en de leden hierover van gedachten kunnen wisselen. Blijkt dit onderwerp uitgeput dan gaat men verschillende andere kortere vragen en opmerkingen behandelen en bespreken.
E.
L.