INGEZONDEN.


Het Bijenhoudersberoep hier te lande.

Gedurende het jaar 1931 werd in ons land ingevoerd 4.398.838 K.G. honing. In de eerste helft van 1932, 2.511.000 K.G.
Hoofdzakelijk is deze honing bestemd voor koekbakkerijen. Een gedeelte wordt afgenomen door Nederlandsche-Bijenhouders-Honinghandelaren, die dezen honing als consumptiehoning in den handel brengen. De koopers meenen, dat ze een Nederlandsen product ontvangen, hetgeen echter niet het geval is. Dat deze handel in flagrante strijd is met de thans algemeen geldende leuze: „koopt Nederlandsch product" behoeft geen betoog. Toch laat onze tegenwoordige wetgeving deze misleidende handel toe en hoe lang dit zal duren, ligt aan de Regeering, die met dit euvel op de hoogte is gesteld.

Is men een weinig met de strekking der heffing van ons tarief op den invoer op de hoogte, dan weet men, dat getracht wordt, die goederen het zwaarst te treffen welke onder weeldeartikelen kunnen worden gerangschikt of voor weelde-doeleinde in aanmerking komen. En alhoewel honing als grondstof voor koek toch niet te rangschikken valt onder noodzakelijk volksvoedsel, bedraagt het invoerrecht hier slechts f 5.— per 100 K.G., terwijl het een bekend feit is, dat de Regeering van verhooging van het invoerrecht op den honing zeer afkeerig is. Het schijnt dat angstvallig gewaakt wordt voor de belangen van eenige koekfabrikanten. Wij begrijpen deze houding in den tegenwoordigen tijd allerminst. Een verhooging van het invoerrecht op den honing van f 5.— tot f 25.— zou op een koek van f 1.— slechts een prijsverhooging van ongeveer 6 ct, dus van plm. 6% teweeg brengen. Bij verhooging van dit bedrag op den invoer zouden vele kleine landbouwers en arbeiders gebaat zijn. Velen van hen zit het bijenhouden nog in het bloed, uit den tijd toen hun honing nog behoorlijk werd betaald.

De beroepsbijenhouder is echter tegenwoordig zoowat uitgestorven, 1e door de uitvinding van de beetwortelsuiker en 2e door het aan de markt brengen van Amerikaanschen honing, die thans slechts 10 cent per pond kost. Concurreren tegen zijn Amerikaanschen collega is wegens het gunstige klimaat in het Westen voor onzen bijenhouder niet mogelijk. Wij hebben wel eens hooren verkondigen, dat een bedrijf, dat zich zonder hulp van de overheid niet staande kan houden maar rustig moest uitsterven. Wanneer zoo'n bedrijf noodzakelijk is voor onze samenleving, zijn wij het met deze opvatting niet eens.

In ons land zijn de bijen noodig om het evenwicht in de natuur te bewaren. Het is bekend, dat onze fruit- en zaadteler de bijen noodig heeft. Ook met het oog op deze omstandigheid heeft de overheid ervoor te zorgen dat de bijenteelt beschermd wordt. Dit kan ze doen door het invoerrecht op honing te verhoogen, waardoor het houden van bijen weer evenals voor vijftig jaar een behoorlijke winst zou~,kunnen afwerpen. Hiermede alleen zouden vele kleine landbouwers en landarbeiders gebaat zijn, terwijl de ongewenschte trek van het
platteland naar de steden zou afnemen. Ook dit is toch zeker wellicht eenigszins een landsbelang.
Met dank voor de plaatsing, Hoogachtend, D.J. JIPPES,
Secretaris v.d. afd.Groningen v.d. Vereeniging ter bevordering van Bijenteelt in Nederland.