Wenken voor beginnende kastimkers.

Bij het verschijnen van dit eerste nummer van het „groentje" in het jaar 1934, wil ik beginnen met U allen een gelukkig Nieuwjaar toe te wenschen en de hoop uit te spreken, dat 1934 voor U allen een gunstig bijenjaar moge worden. En nu moge dit voor een groot deel afhangen van factoren, waarop wij onze invloed niet kunnen doen gelden namelijk het weer en de omstandigheden van de dracht, toch valt het niet te ontkennen, dat de opbrengst van onze bijen en de voldoening, die ze ons schenken, voor een groot deel afhankelijk zijn van de zorg die we eraan besteden. In vele afdeelingen van onze Vereeniging kan men U een of enkele imkers aanwijzen, waarvan de andere collega's zullen zeggen „Die Jansen (of Pietersen mijnentwege) heeft altijd honig", waarmee men dan wil uitdrukken „Al zijn de omstandigheden voor het honig halen nog zoo slecht geweest, Jansen zal toch kunnen oogsten".
Voor een groot deel ligt dit aan de zorg (en niet aan de hoeveelheid werk), die Jansen aan zijn bijen besteedt.

De eerste Wenk, die ik U in 1934 wil geven, zal dan ook luiden: „Hebt zorg voor Uwe bijen!!" En nu moet ge niet denken, dat deze zorg moet bestaan in het herhaaldelijk openmaken en uit elkaar nemen van de kasten, neen ook in dit opzicht kan de kastimker veel leeren van de oude korfimker. Uit de aard der zaak kan deze zijn volken niet zoo grondig nazien als zijn moderne collega; maar juist daardoor is de eerste gedwongen tot scherp waarnemen. Vooral het gedrag van een volk aan het vlieggat wordt door zeer veel kastimkers vrijwel verwaarloosd, terwijl juist uit dit gedrag dikwijls zeer belangrijke conclusies getrokken kunnen worden, waarvan de korfimker dan ook een nuttig gebruik maakt. Meermalen wijzen ons verschijnselen aan het vlieggat op omstandigheden en behoeften van het volk, die vele kastimkers normalerwijze en meestal eerst veel later slechts constateeren door de kast te openen.

In het algemeen gesproken zou ik willen zeggen „Open Uw kasten het geheele jaar door zoo weinig mogelijk". Haal b.v. wanneer er een collega komt, niet Uw beste volk uit elkaar om hem te toonen hoe goed dit volk wel is; wanneer hij inderdaad een imker is, zeggen hem het vlieggat en het oplichten van een punt van het dekkleedje vrijwel evenveel.
Ten opzichte van het vlieggat kan onze zorg dus grootendeels bestaan in „nauwlettend toezien en waarnemen". In den loop van het jaar hoop ik hierop nader in te gaan.

Verder hebt ge te zorgen, dat het Uw volken op kritische oogenblikken aan niets ontbreekt. Zulke kritische oogenblikken zijn vooral de plotselinge terugslagen van het weer en de natuurlijke drachtpauzen, die in de meeste deelen van ons land tusschen de voorjaarsdracht (fruit, paardebloem, koolzaad) en de zomerdracht (klaver, linde, korenbloem) en later opnieuw tusschen de zomerdracht en de najaarsdracht (heide) optreden.

Hoewel de thans besproken zaken wel niet speciaal de maand Januari betreffen, leek het me toch goed er nu op te wijzen, daar ze voor het geheele jaar gelden, terwijl in Januari op den stand volkomen rust moet heerschen. We hebben dus ruimschoots tijd een en ander rustig te overdenken en ons nu, aan het begin van het nieuwe jaar, voor te nemen, onze bijen zoo goed mogelijk te behandelen.

Een vraag, die bij vele beginnende kastimkers in dezen tijd van het jaar en vooral in strenge winters, zooals 1933/34 er een schijnt te zullen zijn, zal rijzen is wel: „Zijn onze bijenvolken wel tegen de nu voorkomende lage temperaturen bestand en bestaat er geen gevaar, dat ze van koude omkomen?" Gelukkig kan het antwoord op deze vraag geruststellend zijn; wanneer voldoende voedsel aanwezig is, dat ook werkelijk door de bijen bereikt kan worden (zie „Wenken" October '33: Het verdient aanbeveling.....enz.), zijn deze door de natuur in staat gesteld door voedselopname een voldoende hoeveelheid warmte te ontwikkelen, terwijl ze hun wintertros zooveel mogelijk inkrimpen om het warmteverlies zoo klein mogelijk te maken.

E., L.