OVER FRUITTEELT EN NOG WAT.
Er is in dezen, voor onze tuinbouw zoo uiterst moeilijken tijd, een onmiskenbaar streven merkbaar om zich meer dan tot nu toe uit te leggen op het teelen van fruit. Dit streven is zeer verklaarbaar, en o. i. economisch ook volkomen verantwoord, aangezien er jaarlijks in ons land nog voor millioenen guldens fruit wordt ingevoerd.
Het zal waarschijnlijk wel niet mogelijk blijken om met de eigen fruitcultuur het geheele jaar door de binnenlandsche markt van voldoende fruit te voorzien, en zoodoende de import geheel overbodig te maken, doch wanneer hier te lande meer fruit van zeer goede kwaliteit wordt gekweekt, en de aanvoer hiervan door doelmatige soortenkeuze en wijze van bewaring over grooter tijdperk kan worden verdeeld, dan is hiervoor zeer zeker nog wel aftrek te vinden. Een voordeel voor ons eigen fruit is, dat het als regel veel smakelijker is dan het overzeesche product.
Wat de kwaliteit betreft, aan de verbetering hiervan wordt tegenwoordig door middel van bespuiten enz. al veel gedaan, ofschoon nog lang niet algemeen genoeg. Ook aan de bewaring wordt den laatsten tijd meer aandacht geschonken; we denken hierbij aan de proefnemingen met het koelen van fruit.
Er is echter nog een zeer belangrijke kwestie, waaraan o. i. nog niet genoeg wordt gedacht, namelijk aan de bestuiving. Het is tegenwoordig wel zoo, dat vele fruitkweekers er van overtuigd zijn, dat het hebben van bijen in of nabij hun boomgaard voordeel meebrengt, maar daarmee is men er nog niet. Zal men van de aanwezigheid van bijen ten volle profiteeren, dan moet er met de wijze van beplanting rekening mee worden gehouden, dat de bijen hun werk als huisbestuivers ook behoorlijk kunnen uitoefenen. Nu hebben zich in den laatsten tijd de inzichten in deze materie nog al wat gewijzigd (zie b.v. de onderzoekingen hierover verricht door Dr. Minderhoud). Het is echter de vraag, of de meeste fruitkweekers hiervan voldoende op de hoogte zijn.
De vraag stellen, is ook hier de vraag beantwoorden, en wel in ontkennenden zin. Zeer vele fruitkweekers, we weten het uit eigen ervaring, weten niet enkel van de bijenteelt, doch ook van de juiste rol welke de bijen spelen ten opzichte de fruitcultuur, nog maar heel weinig af. Het komt b.v. nog wel voor, dat men boomgaarden aanlegt, waarbij men heele complexen van één enkele soort appels bijéén plant, of appels welke geheel uitéénloopende bloeitijden hebben, en zelfs wel, waarschijnlijk om ruimte te winnen, appels afwisselend met peren. Was men beter met de bijenteelt en alles wat daarmede annex is op de hoogte, men zou zich wel driemaal bedenken eer men zulke dingen deed.
En om nog een tweede reden is het te betreuren dat onze fruitkweekers niet meer algemeen aan bijenteelt doen, n.l. hierom, omdat men alléén wanneer men zelf bijen houdt, er ten alle tijde en in voldoende mate over kan beschikken.
Dit is voor den fruitkweeker van een groot belang, hetgeen we willen bewijzen met een paar uitspraken van bij uitstek deskundige onderzoekers.
Dr. Minderhoud schrijft b.v. (in het Febr no. 1932 van ons Maandschrift) o.a. "Voldoet een boomgaard aan redelijke bestuivingsvoorwaarden, dan zal de fruitkweeker kunnen volstaan met een klein aantal bijenvolken gedurende den bloeitijd van zijn boomen. Als echter een boomgaard niet aan redelijke besluivingseischen voldoet (en ik ben er van overtuigd, dat dit in ons land zeer vaak voorkomt), zal men dit bezwaar zooveel mogelijk moeten opheffen door zorg te dragen voor een groote hoeveelheid bijenvolken in of bij de boomgaarden".
Dr. Goetze, Landsberg: " . . zoo kan men wel als regel aannemen, dat op iedere morgen gesloten fruitaanplant minstens eenige bijenvolken geplaatst moeten worden. Van het standpunt van een fruitkweeker uit, is echter een nog dichtere bevolking wenschelijk . . . ." (Maandschr. Febr. '32), terwijl Ir. D. Bloemsma, Rijkstuinbouwconsulent te Apeldoorn in zijn inleiding op den 10en Ned. Imkerslag o.m. zeide: „Naar mijn meening kunnen op dicht beplante terreinen, dus bij intensieve fruitteelt, zeer wel 3 à 4 volken (per H.A.) worden gebruikt en is het bovendien hoofdzaak te werken met krachtige volken, in wat verspreiden stand in de boomgaarden".
Zal de fruitkweeker aan de hier gestelde eischen, n.l. 1° een voldoend aantal volken, 2° zeer sterke volken en 3° door de geheele boomgaard verspreiden stand kunnen voldoen, dan zal hij als regel zelf bijen moeten houden, of voor het minst met het houden van bijen vertrouwd zijn. Met hoeveel procent van onze Nederlandsche fruitkweekers zou dit echter het geval zijn, en hoe is hierin verbetering te brengen?
Er is in dit opzicht naar onze meening een leemte in de opleiding onzer kweekerij. Op het verplichte leerplan der lagere tuinbouwscholen in ons land komt het vak bijenteelt niet voor; wel is het naar ons van bevoegde zijde werd medegedeeld als facultatief vak toegelaten. Of hiervan op één of andere school echter gebruik wordt gemaakt? Wij beschikken niet over gegevens betreffende alle bedoelde tuinbouwscholen, echter bij die waarvan wij wel gegevens bezitten is zulks niet het geval. Het zou echter voor de fruitteelt, welke mogelijk in de toekomst één onzer belangrijkste takken van tuinbouw belooft te worden, van groot belang zijn als hierin eens verandering kwam en onze aanstaande fruitkweekers althans de meest elementaire beginselen van de voor hun bedrijf zoo belangrijke bijenteelt kan worden bijgebracht, hetzij op de daarvoor in aanmerking komende scholen of in breederen kring als onderdeel van onze tuinbouwwintercursussen
LEO VARDENSIS.
Bijschrift Red. Naar ons eenige jaren geleden door diverse tuinbouwconsulenten verzekerd is, wordt den leiders van tuinbouwcursussen enz. in fruitcentra steeds verzocht bij hunne lessen de aandacht te vestigen op het bestuivingsnut der bijen. Dit is natuurlijk iets anders dan opleiding tot practisch imker, doch hoeveel leerkrachten aan tuinbouwscholen zijn met de bijenteelt zelf vertrouwd?
RED.