
Wenken voor beginnende kastimkers.
De wisselvallige aard van ons klimaat treedt in Maart wel zeer sterk op den voorgrond. De volksmond zegt dan ook met recht: "Maart roert zijn staart". Voor onze bijen, die in zoo sterke mate van het weer afhankelijk zijn, heeft dit velerlei gevolgen. Dikwijls worden ze door de milde stralen van de voorjaarszon naar buiten gelokt en trachten reeds voedsel, vooral stuifmeel en water, voor hun broed te verzamelen; plotseling komt dan een echte Maartsche bui de voorjaarsstemming verstoren, de temperatuur daalt en in plaats van bijen dwarrelen de sneeuwvlokken door de lucht. Dit plotseling omslaan maakt, dat vele bijen hun woningen niet tijdig kunnen bereiken, ze verkleumen en zijn voor het volk verloren. In verband hiermede is het aan te bevelen, de vlieggaten van volken, die met het vliegfront naar het Zuiden staan, af te schermen voor directe zonnestralen, vooral bij kasten, waar die zonnestralen tamelijk wel het inwendige van de kast kunnen bereiken.
Niet alleen echter door deze buien, maar ook door de wisselingen op langeren termijn kunnen de bijen schade ondervinden. Wanneer b.v. het weer enkele dagen zacht en mild is, zal de koningin heel wat eitjes gaan leggen, zoodat het broednest en dus ook het bijenvolk een grootere ruimte bezet. Volgt nu een periode van koude dagen dan zal het volk, om de temperatuur constant te houden, zich samentrekken en bij te sterke uitbreiding van het broednest de buitenste raten met eitjes en larfjes niet meer kunnen bezetten, waardoor deze afsterven.
In deze gang van zaken liggen voor den imker twee aanwijzingen, waarnaar hij zich in het voorjaar heeft te richten en wel:
1e. Ga in het voorjaar niet te vroeg speculatief voeren, dus vloeibaar voedsel toedienen, zoodat het broednest voor den tijd van het jaar te veel wordt uitgebreid, (zie voor noodvoedering hieronder).
2e. Zorg, dat de temperatuur in de kast zooveel mogelijk gelijkmatig is en zoo weinig mogelijk de schommelingen van de buitenlucht meemaakt.
Dit is te bereiken, door de kast aan de bovenzijde zoo warm mogelijk af te dekken (stroomat, wollen dekkleedjes, papier, enz.). Veel meer nog dan in den winter is in het voorjaar een warme afdekking vereischt, daar afkoelingen van het inwendige van het volk in het voorjaar, met verlies van broed gepaard kunnen gaan, terwijl in den winter een afkoeling eenvoudig een samentrekken van den tros tengevolge heeft. Ook te vroegtijdig openen van de kasten moet in verband hiermede worden vermeden.
Wel is het aan te bevelen op een milde, zonnige dag even na te gaan of de voedselvoorraad nog voldoende is. Daar het voedsel aan de achterzijde van de ramen is opgeborgen en de bijen zich aan de voorzijde bevinden, lichten we aan de achterzijde het dekkleedje even op. Wanneer de tros zich dan nog op 8 à 10 c.M. afstand vanaf de achterwand bevindt, kunnen we gerust zijn; meestal kunnen we dan op dit gedeelte tevens van bovenuit het verzegelde voedsel zien. Bevinden zich de bijen echter achter in de kast dan moeten we ook de zijramen nazien of hier nog voorraad aanwezig is. Is dit het geval dan kunnen we één of twee ramen meer naar het midden hangen (echter aan de buitenzijde van het broednest).
Zijn de buitenramen evenwel ook leeg dan moet er gevoerd worden en wel bij voorkeur borstplaat. We maken deze borstplaat door 8 bakjes suiker te mengen met 1 bakje water en dit mengsel onder voortdurend roeren (niet laten aanbranden!!!) aan de kook te brengen. Nadat het 1 à 2 minuten gekookt heeft gieten we het in lage 3—5 c.M. houten of blikken sigarenkistjes, die we na afkoeling omgekeerd, dus met de open zijde naar beneden, onder de dekkleedjes of stroomat op de ramen leggen.
Daar er in Maart overigens nog weinig werkzaamheden aan de bijen te verrichten zijn, hebben we een goede gelegenheid om onze plannen voor het komende seizoen te maken. Vooral beginnende imkers hebben nog geen vast werkplan en zullen dikwijls hun aantal volken willen uitbreiden. Het verdient aanbeveling hierbij in het oog te houden, dat zwermen aannemen en opzetten in de meeste gevallen niet samengaat met honig winnen. Meestal ondergaat het moedervolk door het afnemen van den zwerm een zoodanige aderlating, dat het zich tegen de dracht nog niet voldoende heeft hersteld terwijl de zwerm zich meestal nog niet voldoende heeft ontwikkeld. Alleen in de streken met zeer goede voorjaars- en zomerdracht (de klei) kan dit soms meevallen.
Verder wil ik waarschuwen tegen te sterke uitbreiding. Het is beter vijf of zes volken te bezitten en deze goed te kunnen behandelen dan 20 of 25 en deze door gebrek aan tijd ten deele te moeten verwaarloozen, waardoor de belangstelling zal verslappen. Meestal is dan een zeer onvoordeelige verkoop en dus een financieele schadepost het ontijdig einde van het bijenhouden.
L. te E.