NOGMAALS KUNSTRAAT.

Mag ondergeteekende nog wat ruimte vragen om op het artikel van den heer Meijer in het Groentje van Februari te antwoorden. De laatste tijd is zgn. darrenvrije kunstraat nog al eens ter sprake gebracht, de heer Meijer noemt in zijn artikel, Groentje November, bepaalde voorwaarden waaraan kunstraat moet voldoen om darrenvrij te zijn en knoopt daar letterlijk de conclusie aan vast "Is aan deze voorwaarden voldaan en worden door een volk nog darrencellen hierop gebouwd, dan deugt de moer niet of 't volk is moerloos".

Deze conclusie, die volgens mijn ervaringen niet juist is, kan minder ervaren imkers misleiden bij hetgeen zij waarnemen. Het aanzetten van normale darrencellen geeft geen grond tot de conclusie moerloosheid of niet goed zijn der moer, alleen bij het maken van zgn. bultbroed is daar reden toe. Thans zegt de heer M. "dat er echter 1 tot 2% der darrencellen worden uitgebouwd kunnen we toch wel darrenvrij noemen". Dit is iets anders dan de heer M. in zijn eerste artikel schreef en komt een heel eind overeen met mijn ervaringen. We kunnen er ook gerust 1 à 2% meer van maken en dan is dat over de 10 raampjes nog een mooi stukje darrenbroed dat geen conclusie wettigt dat de moer niet zou deugen of 't volk moerloos zou zijn.

Ook zit de oorzaak niet in ongelijke dikte der kunstraten. Dat er persen zijn waarbij het voorkomt heeft de heer Meijer mij zelf eens getoond, doch ik gebruik een zware Rietsche pers waarbij dit euvel nog voorloopig geheel uitgesloten is, bovendien ben ik al tevreden met 13 vel in een K.G. dus is het te dun zijn van bepaalde plaatsen ook uitgesloten. Doch de oorzaak is een andere. Als men goed oplet komt men tot de conclusie dat als regel de beste, dus energiekste volken dit het eerst doen, en wat is daar de oorzaak van? Onze bijtjes trachten trots al onze kunstgrepen hun natuurlijke levensgang uit te leven en daar behoort nu eenmaal bij, het telen van ook het mannelijk geslacht, de darren.
Dat wij dat in ons belang trachten te beteugelen is logisch, doch de darrenvrij schrijverij vestigt bij dus minder ervaren imkers zoo de idee dat een volk, dat ondanks onze tegenwerking toch darren aanzet, minderwaardig is, en dat is niet juist. Abnormale groote aanzet van darrenbroed natuurlijk daar gelaten. Maakt een volk het voor ons belang wat te sterk, welnu zoo'n raampje geleidelijk naar de kant en vervangen door een nieuw vel, ze kunnen hun drang er dan weder op trachten uit te leven en wij houden ze wel binnen de perken zooals 't voor ons 't meest economisch is. Bovendien is het wenschelijk bepaalde beste volken meer gelegenheid te geven darrenbroed aan te zetten, des te grooter is immers de kans dat jonge koninginnen door darren uit die volken worden bevrucht.

Dan de kwestie gleuf in bovenlatje Simplexraam. Ik geloof dat tot op heden de smaken daaromtrent nog zeer verschillen. Ik heb slechts willen aangeven hoe ondanks de gleuf op eenvoudige wijze de draden toch verticaal (de heer M. bedoelt in punt 4 artikel Gr. Februari zeker horizontaal) zijn te spannen. De practijk zal dan geleidelijk wel uitwijzen of de gleuf bij broedkamerramen in onbruik geraakt. Het raampje verzwakt vrijwel niet door die gleuf, het zwakste punt zit bij simplex-ramen waar de zijlatjes in het bovenlatje sluiten. Ik heb van verschillende handelaren gewalste kunstraat indertijd betrokken, steeds beperkte zich de celindruk uitsluitend tot de bodemvlakken, waar ik ze zag walsen werd zeepoplossing gebruikt als zijnde de bij het persen gebruikte honingoplossing daarbij minder geschikt. 't Is mogelijk dat daar uitzonderingen op zijn, doch de handelaren kunstraatwalsers die zich door mijn bewering daaromtrent mogelijk benadeeld mochten achten, hebben er tot op heden nog het zwijgen toegedaan.

H.J. SUTHERLAND, Velp, 15 Februari 1934.