Wenken voor beginnende kastimkers.
Augustus is de maand van de heidebloei en hoewel de eerste heidebloempjes de imker en natuurliefhebber een gevoel van weemoed geven, omdat ze aankondigen, dat de zomer ten einde loopt en plaats moet maken voor de herfst, geven ze toch ook speciaal de imker tevens een gevoel van hoop en verwachting. Dit jaar zal er echter bij menigeen ook twijfel opkomen, daar door de buitengewoon droge zomer de heide geen gelegenheid heeft gehad zich voldoende te ontwikkelen. Het is steeds zeer moeilijk en gevaarlijk zich aan voorspellingen te wagen, ik geloof echter in 't algemeen wel te kunnen zeggen, dat we dit jaar van de zandheide weinig mogen verwachten en onze hoop moeten vestigen op de veenheide.
Voor het reizen naar de heide is het aan te bevelen aansluiting te zoeken bij collega's daar dit vooral bij het op- en afladen der volken groote voordeelen geeft.
De avond voordat we gaan reizen nemen we, zoodra het vliegen is afgeloopen, de dekkleedjes van de honigkamers, leggen de reisramen erop en sluiten de vlieggaten. Bij Simplexkasten met scharnierende vliegplanken komt het nog al eens voor, dat door kromtrekken van het plankje of defecte scharnieren lekkage ontstaat. Hierop hebben we dus speciaal te letten; een eventueele kier kunnen we dichten met een oude krant. Daarna wordt de kast zonder deksel samengebonden met een stevig touw. Bij het verplaatsen tillen we echter de kast niet aan deze touwen op, doch vatten steeds voor en achter onder de bodemplank.
Gedurende de nacht voor het reizen leggen we de deksels scheef op de kasten, zoodat de warme lucht kan ontwijken en de inhoud van de kast dus afkoelt. Hierdoor wordt het was van de raten en het voorwas wat harder. De kans op bewegen en breuk, die door het vervoer per auto en de goede toestand der meeste wegen toch reeds gering is, wordt hierdoor tot een minimum beperkt. Bij het opladen der volken worden de kasten zoodanig geplaatst, dat de ramen in de bewegensrichting van de auto komen te staan, dus niet loodrecht erop, daar ze dan bij plotseling remmen zouden kunnen gaan slingeren.
Hoewel we hopen, dat het overbodig zal blijken te zijn, is het toch zeer verstandig, reeds dadelijk in een goed gesloten zak een hoeveelheid suiker mede te nemen, die we op de heide gemakkelijk op een kast in een leege buitenring kunnen opbergen. Wanneer we dan bij een bezoek, dat we zoo mogelijk eens per week aan de volken brengen, constateeren, dat er voedselgebrek heerscht, dan kunnen we ze zeer gemakkelijk helpen door wat met water bevochtigde suiker tusschen de ramen of op de reisramen te strooien. Overigens hebben we te zorgen, dat ieder volk bij het vertrek een voorraad van ten minste 5 à 6 pond verzegelde honig in de broedkamer ter beschikking heeft.
Bij voorkeur plaatsen we de kasten op de heide met het vliegfront op het Oosten, zoo mogelijk aan de achterzijde beschut door een wal of struikgewas. Ze zijn dan beschut tegen Noordwest tot Zuidwesten winden, terwijl na de middag de zon niet op de kasten schijnt, waardoor overmatig hooge temperaturen in de woningen met als gevolg baardvorming, worden voorkomen.
De aanwezigheid van eenig toezicht, althans een menschelijke woning in de nabijheid is in verband met zwermen, voedselgebrek of baldadigheid zeer gewenscht.
In de kasten waarin men raathonig denkt te winnen, die dus in de honigkamer zijn voorzien van strookjes voorbouw, plaatst men in het midden een uitgebouwd raam als klimraat, waardoor tevens de vorming van den bouwtros wordt vergemakkelijkt. Deze honigkamers vereischen bovendien meestal nog eenig toezicht, opdat de bijen de raten goed vlak en niet van het eene raam in het andere bouwen. Zoodra we een afwijking bemerken is het een kleine moeite de leege raat in de juiste stand te brengen, terwijl een honigkamer met war- of scheefbouw ons veel moeite en weinig goede honig oplevert.
Gedurende de heidedracht hebben we de beste gelegenheid onze stal grondig na te zien (dak waterdicht, ondersteuningen of regels voor de kasten horizontaal, verven), uit te breiden of te verplaatsen, daar de bijen straks bij hun terugkomst opnieuw moeten invliegen.
Imkers die niet naar de heide reizen en die geen dracht meer te verwachten hebben, doen goed hun volken wat drijfvoer (dus kleine hoeveelheden dunne suikeroplossing) toe te dienen. Hierdoor behoudt het broednest zijn grootte en worden nog vele jonge bijen geboren, die overwinteren en als voedsterbijen in het voorjaar groote waarde hebben. Wees echter om deze tijd even als in het voorjaar zeer voorzichtig en mors geen zoetigheid op of in de omgeving van de stand, daar hierdoor zeer gemakkelijk rooverij kan ontstaan.
L. te E.