HET ONTSTAAN VAN ZWERMEN.


In het Juninummer van ons groentje komt een artikeltje voor getiteld: “Het ontstaan der zwermen". De schrijver tracht het ontstaan te verklaren uit de samenvoeging van „voedersapspanning met geslachtsdrift en voortplantingszin" en kent dan aan de eerste een belangrijke rol toe.

Hoe interessant het zwermgebeuren op zichzelf ook is, ieder imker, die het niet te doen is om uitbreiding van zijn stand krijgt er toch spoedig genoeg van, om meer dan één reden, bij de lezers welbekend. Het streven is dientengevolge het zwermen tegen te gaan of zoodanig te leiden dat men er de minste moeite en risico van ondervindt. Zwermtrage volken staan dan ook hoog in aanzien. Maar waardoor is het eene volk zwermtrager dan het andere? Is dit de aard en dan ook de aard alleen of doen zich nog andere oorzaken gelden? Zoo ja dan welke? Dit zijn steeds wederkeerende vragen waarop een voor mij afdoend antwoord ontbreekt.

Zoo voelde ik bij de eerste lezing veel voor de theorie van den schrijver van bg. artikel. Bij het zwermen toch kan men steeds een zekere overmaat van energie constateeren, welke in de richting van het bestaan van spanning wijst. Hierbij behoef ik alleen maar de aandacht te vestigen op het feit dat het aantal moerdoppen in den regel overdadig groot is.
Nadere overdenking en latere ondervindingen, welke de herinnering aan vroeger opgedane ervaringen verlevendigen, geven mij echter toch weer een anderen kijk. De oorzaak van het ontstaan der zwermen moet alleen en uitsluitend gezocht worden bij den alom in de natuur waar te nemen drang, tot voortplanting en instandhouding der soort, en is een vorm van geslachtsdrift. Deze is immers, in latere vorm, in ieder volk ook bij de zgn. zwermtrage, aanwezig.

Om ze tot uiting te doen komen moet aan diverse voorwaarden worden voldaan. De aanwezigheid van een zekere mate van overvloed van voedersap is hier ééne van. Andere bekende voorwaarden zijn: kalm zonnig weder, een behoorlijke temperatuur en een voldoende volksterkte, waarbij de juiste verhouding tusschen de aantallen vliegbijen, huisbijen en darren vermoedelijk ook een rol speelt.
Bovendien schijnen er nog voorwaarden te bestaan welke wij niet kennen en de verschillen in gedragingen der volken naar voren roepen, welke hen niet als tengevolge van hun aard en bijzonderen aanleg aangewreven kunnen worden. Deze te trachten uit te vinden acht ik van veel belang.
Zoo reageert in zwermrijpe toestand het eene volk geheel anders op de behandeling door den imker dan het andere. Terwijl het eene rustig voortwerkt na het uitloopen van de jonge moer en de voortplantingsdrift weer latent geworden is, blijkt in een ander dien drang nog geheel niet gebluscht te zijn.
Het komt herhaaldelijk voor, dat een volk waar de voorzwerm aan terug gegeven is, zwermneigingen vertoont als de jonge moer op bruidsvlucht uittrekt. Gaat de moer ongelukkigerwijze in het tumult op, dan loopt men groot gevaar zwerm en moer te verliezen. Meestal echter vliegt zij in de stal terug en zichtbaar met tegenzin, volgt dan ook de zwerm. Slechts een enkele maal is het noodig in te grijpen.

Een sterk voorbeeld van toegeven aan den zwermdrang, het koste wat wil, heb ik nu weer ervaren.
Op 9 Juni kwam een voorzwerm af, de kast werd nagezien zorgvuldig alle doppen op één na uitgebroken en de oude moer gedood. Op 16 Juni werd de kast ten tweede male nagezien. De moer was uitgeloopen en alle nieuw aangezette doppen werden eveneens verwijderd. Nu kon mij niets meer gebeuren, zoo dacht ik. Maar het volk dacht anders, het wilde nu eenmaal zwermen en 30 juni, op de kop 3 weken na de eerste maal, trok het er weer op uit. Het broednest van de jonge moer had toen weliswaar niet zoo geheel aaneengesloten toch reeds ongeveer den omvang van het broednest van de oude moer op 9 Juni d.w.z. 12 of 13 ramen met broed en tallooze moerdoppen verdeeld over de beide broedkamers.
De voedersapspanningstheorie gaat hier niet op, er waren voldoende cellen over welke nog met broed bezet konden worden en bovendien valt dit gebeuren in een drachtpauze.
Wat was hier dan wel de oorzaak? Wie kan mij dat zeggen?

Een bijzonder zwermlustig volk? Mogelijk maar niet waarschijnlijk.
Ik behandel n.m. twee ongeveer even groote bijenstanden, één bij mijn woning aan den rand van de stad, één op 7 K.M. afstand op het platte land. De laatste is gevormd uit volken afkomstig van den eersten. Van afzonderlijke stammen kan, daar ook herhaaldelijk vermenging plaats heeft, niet gesproken worden. En toch doet zich het eigenaardig verschil voor, dat thuis, uitgenomen in het zwermrijke jaar 1933 toen alle volken zwermlust hebben getoond, de volken in kasten bijna nimmer zwermen en de volken op den anderen stand prompt ieder jaar minstens éénmaal een zwerm afstooten. Zoo hebben ook nu weer alle volken aldaar gezwermd en thuis half Juli nog niet een. Wat kan hiervan de oorzaak zijn? De ruimte? Uitgesloten! alle volken zonder uitzondering zijn half April op 2 broedkamers, ieder van 10 ramen gebracht, en hebben begin Mei nog ieder een honingkamer boven het rooster gekregen.
De volksterkte? Evenmin!, de volken buiten hebben het gebracht tot 12 en 13 ramen met broed maximaal en thuis waren er bij met 16 en 17 bebroede ramen. Bovendien waren enkele van de laatsten versterkt door toevoeging van de overtollige reservevolken, wat door mij een reden temeer wordt geacht voor het ontwaken van de zwermdrift.
De dracht? In goede jaren is er weinig verschil. In minder goede en slechte jaren is de dracht buiten veel beter dan bij de stad.

Dit voorjaar echter was de toestand gelijk. Begin Juni heb ik van beide standen wat honing geoogst. Er was echter een opmerkelijk verschil in de hoedanigheid. De honing van thuis was slechts voor 20 à 30% gezegeld maar niettemin zoo taai dat er minstens 1/3 van in de cellen achterbleef. De verzegeling moest met een vork verbroken worden. De honing van buiten daarentegen was voor 80 à 90% gezegeld. De cellen konden droog met het mes ontzegeld worden en de honing vloog als het ware uit de raten. Ook was deze laatste lichter van kleur en zachter van smaak dan de eerste. Alles wijst op het bevliegen van geheel verschillende drachtplanten hier en daar. Nu rijst vanzelf de vraag: zijn deze verschillen soms van invloed op het al of niet ontwaken van de zwermdrift? Het komt mij voor, dat niet de hoeveelheid voedsel, stuifmeel en nectar, de voornaamste voorwaarde voor het ontwaken van de zwermdrift vormt, maar dat het vooral de hoedanigheid is, die hier een groote rol speelt.
Van het hoe en waarom draag ik echter geen kennis.
Wie kan hier meer van zeggen?

B. M., Leiden 7 Juli 1934.